*

 
dossier

Archief

Geliefd

KEES BROERE − 04/04/98, 00:00

Natuurlijk ben ik zeer geliefd. Zoals elke zak met geld dat is. Als ik kijk naar het aantal mensen dat ongevraagd mijn deurbel of brievenbus weet te vinden, besef ik dat de geur van hoger honing mij aankleeft. Een groene geur, wel te verstaan, die van het in India nog steeds almachtige dollarbiljet, liefst ook gekoppeld aan visa om Nederland te bezoeken, of minstens introducties bij nog welriekender westerse instanties dan ik.

Sommigen kiezen voor een bruut offensief, anderen zoeken de verleidelijkste weg. In beide gevallen is mijn adres waarschijnlijk verstrekt door de vereniging van buitenlandse correspondenten, waarvan ik een trouw, zij het onregelmatig bezoekend lid ben. De charmeurs zijn natuurlijk het leukst om af te poeieren, al was het maar omdat ik daarmee minstens toch mijzelf weer eens het bewijs van onkreukbaar sta-vast weet te geven.

Zoals bij de man, die keurige sikh, die onlangs op de deur bonsde. Hij droeg een brief bij zich. “Bent u zelf de geadresseerde?”, vroeg hij quasi-nonchalant. Het viel niet te ontkennen, mijn naam bleek keurig gespeld. Ik keek hem na, de enveloppe nog ongeopend in mijn hand. Voor ik het wist, sprongen achter het muurtje van de voortuin twee dames tevoorschijn. “Hij is thuis!”, zal de sikh tegen zijn collega's geroepen hebben. “Erop af, nu!” Wat je noemt een charme-offensief.

Het tweetal had zich voor de gelegenheid in oogverblindende sari's getooid. De glimlach op de welgevormde, zwaargestifte lippen zou zelfs een eskimo doen smelten, laat staan zo'n waterijsje als ik. Zij brachten een speciale aanbieding: zoveel nachten in een vijfsterren-hotel, met kortingen en spetterende geneugten. Ik zou er mijn koffer voor hebben gepakt. Jammer nu dat het hotel hier zowat om de hoek staat.

Anderen verkiezen de telefoon, houden zich nog even onzichtbaar, maar zetten hun zoetste keel op om mij mee te krijgen in hun verkooppraatje. Vooral de uitvoerige wijze waarop zij zich aan mij voorstellen en de hoop uitspreken dat ik van een ge-wel-di-ge dag aan het genieten ben, doet mij reeds het ergste vermoeden. Een Indiër volstaat doorgaans immers met telefonisch gebrom, hooguit aangevuld met een enkele snauw. Voorkomendheid is ongekend.

Mijn reisagent is meer de man van de sandwich-techniek. Als wij elkaar aan de telefoon hebben, komt hij met de scherpste prijzen, onmiddellijk gevolgd door de vraag: “Wat ga je voor me meenemen?” Een fles Hollandse jenever windt hem al lang niet meer op, en drop is voor de ratten. Een volgende keer, zo weet ik, zal hij aanbieden twee tickets te boeken: een voor mij, en meteen ook maar eentje voor hem. Beide door mij te betalen. Want een voet krijgen tussen de deur van het Westen, dat is vaak toch het onuitgesproken doel van al dit gevlei.

Het geldt ook voor Indiase collega-journalisten, een aparte categorie binnen de groep van mensen die via mij hun geluk beproeft. Hier in huis hebben we er een speciaal oor voor ontwikkeld. Doorgaans weten we al na twee zinnen wat voor vlees we aan de lijn hebben. Maar niets dan lof voor de vasthoudendheid en soms ook originaliteit. Als deze krant het kon betalen, zou zij op de standplaats Delhi niet enkel beschikken over een Nederlandse correspondent die de vinger aan de pols van bijna een miljard mensen tracht te houden, maar ook over een keur aan Indiase medewerkers, die over de meest uiteenlopende onderwerpen zouden zorgen voor schokkend nieuws, slimme analyses en fraaie reportages, en die als het moet daarbij zelf ook nog de mooiste foto's aanleveren.

Het kost mij nogal eens moeite de collega's hier uit te leggen dat ik toch echt in mijn uppie de zaak draaiende probeer te houden en niet van plan ben van hun zeer gewaardeerde bijdragen gebruik te maken. Snap ik dan niet dat zij niet zomaar iemand zijn, dat zij hun sporen meer dan verdiend hebben, dat ik blij mag zijn dat zij de moeite nemen mij te bellen? Ik snap het allemaal. Zij zijn briljant, ongetwijfeld. En ik heb er het geld niet voor.

Behalve voor die ene dan. Hij schreef mij onlangs een brief, waarin hij zijn journalistieke ervaring breed uitmat. Hij heeft over talloze verkiezingen geschreven, hij belooft 'nauwkeurige' berichtgeving, maar vooral: hij heeft een gebeurtenis verslagen die de wereld tot op de dag van vandaag weet te beroeren: 'Het vertrek van Bjrn Borg uit de tennissport'. Wie in India kan hem dit nazeggen?! Hoofdredactie: alsjeblieft. Hem moeten we hebben.

mailIcon print |