De auteur is lid van de Eerste Kamer voor het GPV.
Wie veroordeeld wordt voor een bankroof, maakt een goede kans te ontsnappen aan een parkeerbon die hij had verdiend omdat er vóór de bank een stopverbod gold. Naar analogie: er was met de nieuwe nabestaandenwet zoveel mis, dat er maar weinig is gesproken over de rare afbakening van de categorie van nabestaanden die erin voorkomt.
De Kamer was (aanvankelijk inclusief de regeringsfracties) fel in haar kritiek. Na de eerste ronde echter spitste het debat zich volledig toe op de vraag welke concessies het kabinet aan de paarse fracties wilde doen. Weinig, bleek al spoedig. En toen moesten deze hun kwaliteitsbewakende functie toch maar even vergeten omwille van de partijpolitiek en het regeerakkoord.
Intussen was er nauwelijks aandacht voor de principiële achtergronden van zoiets als een volksverzekering ten gunste van nabestaanden.
Wie is een nabestaande? Mede door toedoen van de Tweede Kamer zijn weduwen en weduwnaars in de wet gelijkgesteld met mensen die achterblijven wanneer iemand overlijdt met wie zij voorheen een gezamenlijke huishouding voerden. Je zou nog een vervolg verwachten, maar dat is er echt niet. Wanneer je met een ander in één huis woont en je deelt met die ander bepaalde huishoudelijke kosten, dan zijn beiden potentiële nabestaanden in de zin van de nieuwe wet. Er wordt zelfs geen duurzaamheid van de gezamenlijke huishouding vereist.
Er is eens eerder een nabestaandenwet in de Eerste Kamer gestrand. Toen is de absurditeit van een soortgelijke definitie breed uitgemeten. Nu veel minder. Waarom? Heel simpel, omdat de nu aangenomen wet überhaupt maar heel weinig uitkeringsgerechtigden zal kennen. Dus, wat maakt het eigenlijk uit? Ja, maar intussen werpt de omschrijving wel een schel licht op de verwarring waarin we verkeren wanneer we partnerschap in wettelijke regelingen willen verdisconteren.
Waarom willen we in Nederland eigenlijk een aparte regeling voor nabestaanden? We hebben toch een bijstandswet voor mensen die zichzelf niet kunnen redden?
De enige reden is vanouds gelegen in de aard van een relatie tussen mensen. Mensen kunnen een verbintenis met elkaar aangaan, waardoor ze willens en wetens van elkaar afhankelijk worden. Hoe ze die wederzijdse afhankelijkheid vorm geven, is aan de partners zelf. Zij kunnen bijvoorbeeld afspraken maken over het kostwinnerschap als zij vinden dat de opvoeding van kinderen dat vraagt. Het is deze afhankelijkheid die, voorzover ik kan zien, de enige rechtsgrond is voor een aparte behandeling van deze mensen in het geval hun partner overlijdt. Voor wezen geldt iets dergelijks. De rechtsgrond voor een uitkering is de afhankelijkheid van kinderen, die een probleem wordt wanneer hun ouders wegvallen.
Toen de tot voor kort geldende Algemene Weduwen- en Wezenwet gemaakt werd, was het gezin met de vader als kostwinner volstrekt dominant. Dat is nu anders. Maar er is toch nog steeds geen andere reden voor een aparte nabestaandenwet te bedenken dan het besef dat we bescherming behoren te bieden aan mensen die degene moeten missen van wie zij (deels) afhankelijk waren.
Hoe is het dan mogelijk dat in de nieuwe wet een gemeenschappelijke huishouding al voldoende is om een relatie gelijk te stellen met een huwelijk, waarin een wederzijdse zorgplicht geldt en waarin wederzijdse afhankelijkheid dus een basis heeft?
De verklaring heeft twee kanten.
De overheid heeft er belang bij gezamenlijke huishoudingen gelijk te stellen met het huwelijk, niet primair vanwege de situaties waarin samenlevingsvormen rechten geven, maar omdat rechten erdoor ook beperkt worden. Wie met een ander samenwoont, wordt bijvoorbeeld geacht met minder bijstand toe te kunnen. Ook in de nieuwe nabestaandenwet kan een gemeenschappelijke huishouding een reden zijn om een uitkering te verlagen of in te trekken. Of deze regeling in een nabestaandenwet thuishoort, betwijfel ik sterk. Maar in de bijstand, als het vangnet in het sociale-zekerheidsstelsel, kan ik me deze benadering goed voorstellen. En dan is er een hanteerbaar, formeel criterium nodig om te kunnen nagaan hoeveel mensen nodig hebben om niet onder het sociale minimum te zakken.
De kortsluiting in de nabestaandenwet is ontstaan toen de wetgever probeerde het voordeurdelersbegrip dat gehanteerd moet worden in de bijstand, gemakshalve ook te gebruiken om te bepalen wanneer iemand in principe recht op een nabestaandenuitkering moet krijgen.
Mijns inziens is deze symmetrie onmogelijk. Heel simpel omdat een recht voor nabestaanden gegrond is in de aard van hun door de dood verbroken relatie, op aangegane verplichtingen jegens elkaar door een huwelijk of een notarieel contract.
Er wordt wel gezegd dat die symmetrie hersteld zou kunnen worden wanneer rechten en plichten in een geregistreerde relatie in evenwicht gebracht zouden kunnen worden. Ik twijfel eraan of dat mogelijk is. Maar in ieder geval is de huidige poging om te werken met het begrip 'gemeenschappelijke huishouding' volstrekt ontoereikend.
Maar er is nog een meer ideologische kant aan de verklaring voor de nabestaandendefinitie in de nieuwe wet. Velen vinden dat die vermaledijde afhankelijkheid, die vroeger in het huwelijk zo algemeen was, nu eigenlijk maar moet worden uitgebannen. Een gemeenschappelijke huishouding is - zo wordt gedacht - misschien wel de beste typering van welke vorm van samenleven ook. Moderne samenlevingspartners zijn op hun toekomst voorbereid, en dat betekent dat ze niet te veel in hun relaties moeten investeren. Ze moeten zelfstandig blijven. Waarom er dan een nabestaandenwet naast de bijstand moet blijven, is dan misschien wat minder duidelijk. Maar de kaalslag in de nieuwe wet, waardoor in de toekomst nauwelijks nog nieuwe rechten zullen ontstaan, is in ieder geval een stap in de goede richting.
Het is alsof we de Stoïcijn Epictetus de mensen horen waarschuwen dat ze zich niet tezeer aan hun naasten zouden moeten hechten, om zo beter gewapend te zijn tegen de gevolgen van een mogelijk verlies.
Staatssecretaris Linschoten legde de Eerste Kamer nog een keer uit dat het nu eenmaal niet meer zo is dat mensen hun leven lang één werkgever en één partner hebben. Zo nu en dan een andere baan, een andere partner, een andere gemeenschappelijke huishouding. Moet kunnen.
Het lijkt er soms op dat we in Nederland de discussie over vormen van samenleven en samenwonen achter de rug hebben. Maar dat is allerminst het geval.
Individueel onafhankelijk zijn is - althans in theorie - een zo grote waarde geworden, dat publieke steun voor verplichtende, sociale bindingen taboe geworden lijkt te zijn. Onder aanroeping van het belang van emancipatie. Tel uit je winst.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.