*

 
dossier

Archief

Een lap landbouwplastic op het Texelse strand

HENK VAN HALM − 21/08/99, 00:00

Wel eens op de Noordzee gevaren? Dan ongetwijfeld van schepen afkomstige afval tegengekomen. Behalve allerhande keukenafval ook lappen plastic van soms onwaarschijnlijke grootte. Vervuiling die je alleen toevallig te zien krijgt als je er met een schip doorheen vaart. Of als die uiteindelijk op het strand terechtkomt.

De noordse stormvogels van de Britse kusten varen er wel bij. Die schuimen de zee af naar afval en zoeken dat honderden kilometers van hun nest. Soms stikt er een in een stuk plastic. Dat is dan jammer voor het enige nestjong, dat anderhalve maand wordt vetgemest. Afhankelijk van nog maar één ouder redt hij het waarschijnlijk niet.

Toch is plastic ook goed voor het zeemilieu. Aan het Texelse strand komt een lap landbouwplastic aan drijven. Het is bedekt met een fijn zilverig gaas, kolonies van vliescelpoliepen. Geen echte poliepen, maar mosdiertjes, die kolonies vormen waarin elk diertje leeft in een vliezig celletje. Schitterend om te zien, net kantwerk.

Willemijn is er verrukt van. Ze neemt de lap mee naar de tent en wil die drogen. De vreugde is van korte duur: de volgende morgen stinkt het kunstwerk een uur in de wind. Groene vliegen leggen er eitjes op. Er zat kennelijk nog leven in de mosdiertjes, die eenmaal op het droge stierven en in de zomerhitte tot ontbinding overgingen. De vondst eindigt in de vuilniscontainer.

Kreeftjes, slakjes, schelpjes

In de plooien van het plastic vonden we ook andere diertjes. Lichtgrijze vlookreeften, die er eender uitzien als de zoetwatergarnalen, die in polderslootjes tussen de oeverplanten leven. Wadslakjes ook en jonge schelpdiertjes.

De kreeftjes zijn strandvlooien. Je ziet ze wegspringen als je een stuk aangespoeld zeewier optilt. Ze zwemmen uitstekend, maar houden zich voornamelijk onder aanspoelsel op, waar ze ontbindend plantaardig of dierlijk materiaal eten.

Afgezien van een paar grote schelpen biedt op de zandige Noordzeebodem weinig een stevige ondergrond aan dieren die dat nodig hebben. Bij een andere gelegenheid vonden we een plastic viskrat vol poliepen, die aan onze kust zelden voorkomen, maar aan de steniger overkant van de Noordzee heel gewoon zijn.

Ik weet nog van de eerste jaren na de oorlog, toen we voor het eerst weer naar zee mochten, de kolonies eendenmosselen op wrakhout van in de oorlog getorpedeerde schepen. Een enkele keer vind je die porseleinig blauwwitte schelpen op een slurfachtige bruine steel nog wel op nettendrijvers, die door stromingen van ver zijn aangevoerd. Ik heb ze later nooit meer gevonden.

Zwavelijzer

Ik denk eraan op de dag dat we de stinkende mosdiertjeskolonies weggooiden. Ter hoogte van paal 9 ligt het vol schelpen, de meeste blauw of roestbruin en dus van lang geleden. Bedolven in de zeebodem met allerlei in ontbinding verkerend materiaal worden bepaalde delen van de schelp gekleurd door de inwerking van zwavelijzer. Te oordelen naar de zwartblauwe kleur en de sterke verwering heeft het slakkenhuis van een wulk wel heel lang in zo'n zwavelijzerlaag verkeerd.

Sterke stromingen doen hier een voortdurende aanval op de kust, die zo goed en zo kwaad als het gaat beschermd wordt met stenen strandhoofden. De stromingen diepen de bodem uit tot de fossiele ondergrond, die vol zit met oude schelpen. Toen na de ijstijden de toendra tussen Groot-Brittannië en Nederland onder water kwam te staan en de Noordzee ontstond, vestigden zich ontzaglijke hoeveelheden schelpdieren in dit nieuwe gebied.

Slijkgaper

Heel veel kleppen zijn van kokkels, die ver voor onze jaartelling in een wadachtige situatie leefden. Ook de enkele ovale klep van de platte slijkgaper, een typisch schelpdier van het modderige wad, zal door de stromingen uit de oude ondergrond zijn blootgespoeld. Ik vond de gapers vroeger vaak in de tuin, in de oude blauwe zeeklei die duizenden jaren geleden door de zee werd afgezet in het lage westen van het land en waar dit dier in enorme aantallen geleefd moet hebben. In de tijd die sindsdien verstreken is, verweerde de kalk van de toch al dunne schaal zo dat de schelpen al uiteenvielen als je ze voorzichtig uit de harde klei wilde peuteren.

Strandschelpen

Na de kokkels zijn de strandschelpen het gewoonst op het Texelse strand. Vier soorten komen voor: de grote, de halfgeknotte, de stevige en de ovale strandschelp. Alleen de grote strandschelp is zo op het oog te herkennen. Verse kleppen hebben op de buitenkant een tekening van lichtbruine banen, die vanuit de top naar de rand uitstralen, en aan de binnenkant een mooie paarse kleur. Van deze soort vind je ook wel subfossiele kleppen uit het Pleistoceen, lichtblauw met donkerblauwe banden.

De andere drie strandschelpen, de meeste ook met blauwe of roestbruine banden, lijken zoveel op elkaar dat de verschillende schelpenboeken elkaar tegenspreken. Merkwaardig genoeg is de dikke fossiele tapijtschelp uit een veel oudere geologische periode vrijwel wit. Tapes (Venerupis) aurea senescens bestond al in de Tertiaire zee vóór de grote ijstijden.

Niet alleen fossielen

Je vindt niet alleen fossielen aan de zuidwestrand van het eiland. Er liggen nogal wat zaagjes, mooi violet van binnen, een paar kleppen en doosjes van de grote zwaardschede, nog met de bruingroene opperhuid, die er gewoonlijk later afschilfert, fijn geribbelde venusschelpen met een kenmerkende kromme top en een enkel bleekroze nonnetje. Soorten die je aan de hele Noordzeekust tegenkomt en vaak nog talrijker ook dan hier op Texel. Maar het leukst blijven toch de vondsten op het vaak verfoeide plastic.

mailIcon print |