Van onze redactie economie NIEUWEGEIN - De Industrie- en voedingsbond CNV gaat het CAO-overleg in met een looneis die varieert “van 0 tot 2,5 procent”. De leden in de sectoren en bedrijven bepalen hoe hoog de looneis precies moet worden.
Wat de CNV-bond betreft, gaan de lonen in de industrie, de voedingssector en de agrarische sectoren het komende jaar niet omhoog. Dat zou betekenen dat met werkgevers in die branches sluitende afspraken zijn gemaakt over behoud en uitbreiding van werkgelegenheid door deeltijdbanen en herverdeling van werk. Waar toch looneisen nodig zijn, mogen die de voor 1995 verwachte prijsstijging van 2,5 procent niet te boven gaan, zo heeft de bond gisteren op een persconferentie in Nieuwegein bekendgemaakt. Het hoogste waar de bond dus op inzet, is koopkrachtbehoud; in de meeste gevallen zal er echter sprake zijn van koopkrachtverlies.
De keuze voor een “uiterst gematigde loonkostenontwikkeling” is volgens voorzitter D. Terpstra het gevolg van “behoedzaamheid; het komt niet voort uit dogmatische overwegingen”. De recente winsten in de industrie zijn vooral te danken aan saneringen (ten koste van duizenden banen) en internationale ontwikkelingen. Het zou wel erg kortzichtig zijn om de winst nu “ogenblikkelijk om te zetten in geld”, vindt Terpstra.
Evenals de Industriebond FNV vindt de CNV-bond dat 1995 een cruciaal jaar wordt voor de arbeidsverhoudingen. Lukt het niet om via CAO-afspraken meer banen te scheppen, “dan kunnen wij onze leden op een gegeven moment niet meer uitleggen dat matiging echt nut heeft”. Op dit moment is Terpstra echter nog overtuigd van noodzaak en nut van loonmatiging. Het pleidooi van hoogleraar Kleinknecht voor een 'gematigde loongolf' neemt hij niet serieus. “Je hoeft geen grootmeester te zijn om te kunnen voorzien dat de gevolgen desastreus zouden zijn.”
Volgens de Industrie- en voedingsbond CNV kunnen nieuwe banen ontstaan door meer flexibiliteit in arbeidsduur en werktijd. Daarnaast zijn er 'specifieke instrumenten' mogelijk zoals werkervaringsplaatsen en opstapfuncties.
De vervroegde uittreding moet op termijn plaatsmaken voor flexibele pensionering vanaf het zestigste jaar. De bond wil ook daarvoor een collectieve regeling treffen - zoals in bijvoorbeeld de zuivelindustrie is gebeurd - maar de invulling geschiedt per werknemer. Die moet zelf gaan sparen voor flexibel pensioen in plaats van door de zittende werknemers te worden betaald. Hoe later een werknemer uittreedt, des te hoger de uitkering wordt.
De CNV-bond moet 175 CAO's afsluiten die gelden voor in totaal 645 000 werknemers. De grootste CAO is die voor de metaalnijverheid (275 000 werknemers), gevolgd door het schoonmaakbedrijf (110 000 werknemers).
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.