*

 
dossier

Archief

Einde 'Lomé' nabij; gelukkig maar!

JOEP BOST − 09/02/96, 00:00

De auteur is geograaf.

Het Lomé-handelsverdrag is in 1975 tot stand gekomen en omvat handelsafspraken tussen de EU (toen nog de EG) en 46 ACS-landen (ex-koloniën in Afrika, het Caribisch gebied en het Stille-Oceaangebied). Inmiddels zijn de 46 ACS-landen tot 70 aangegroeid. Volgens de neo-kolonialistische visie is het verdrag geboren uit angst van de oude mogendheden voor het wegvallen van afzetmarkten en grondstoffen in de oude koloniën.

Het doel van de afspraken is de ontwikkeling van de ACS-landen te bevorderen. De belangrijkste afspraken in het verdrag betreffen importtarieven en quotering van bepaalde produkten. Verder zijn afspraken gemaakt over minimumprijzen, afname van produkten en samenwerking op diverse gebieden.

De lijst met produkten die voor verlaging van de importtarieven in aanmerking komen, bestaat voornamelijk uit landbouwprodukten en grondstoffen (koffie, cacao, pinda's, katoen, bananen, huiden, rubber, ijzer, koper, tin etcetera). Halfprodukten, eindprodukten of landbouwprodukten die binnen de Europese Unie worden verbouwd, komen niet op de lijst voor en vallen dus onder het normale importtarief.

'Lomé' wordt vaak beschreven als een eenzijdig verdrag: de ACS-landen hebben geen of weinig invloed op de marktprijzen van de produkten die zij leveren. Zij zijn de leveranciers van een beperkt aantal, door de EU vastgelegd in soort en hoeveelheid, primaire grondstoffen. Van de andere kant schermt de EU haar markt af met hoge importtarieven. Wordt een simpele bewerking uitgevoerd op primaire grondstoffen door de ACS-landen zelf, dan vallen deze grondstoffen niet meer onder het Lomé-verdrag. Het hoge importtarief wordt dan van toepassing en maakt daarmee een concurrerend produkt onmogelijk. Het ontwikkelen van een eigen industrie of het creëren van meerwaarde op de primaire produkten wordt bijna onmogelijk. Zo gaat van elk pak koffie slechts 45 cent naar de koffieboer (bron: Tropenmuseum).

Het systeem blijft in stand doordat export van grondstoffen in veel ACS-landen de enige manier is om aan buitenlandse valuta te komen. Deze buitenlandse valuta zijn nodig om de rente van schulden te voldoen en produkten te importeren. De hoge schulden maken elke financiële injectie voor ontwikkeling onmogelijk en de eenzijdige gerichtheid op grondstoffen betekent afhankelijkheid van de rijke landen en een kwetsbare positie op de wereldmarkt.

De grote vraag is of gedurende het 20-jarig bestaan van het Lomé-verdrag de ontwikkeling van de handel tussen de EU en de ACS-landen gunstiger is geweest dan met de ontwikkelingslanden die niet konden profiteren van het verdrag. Welnu, het is inmiddels duidelijk dat de verwachte dynamische ontwikkeling van de handel geheel is uitgebleven. Integendeel, gedurende de 20 jaar dat de handelsafspraken van kracht waren, hebben de ACS-landen een groot marktaandeel verloren. 27 van de 70 ACS-landen behoren tot de minst ontwikkelde landen van de wereld. Jaarlijks is de geldstroom van de ACS-landen naar de EU groter dan andersdom.

Een en ander geeft te denken over het als ontwikkelingshulp gepresenteerde verdrag. Met eerlijke handelsafspraken zouden beide partijen waarschijnlijk beter af zijn.

mailIcon print |