Podium brengt deze zomer het feuilleton van de Nederlandse identiteit. Vandaag: Willem Campschreur van het Koninklijk Instituut voor de Tropen.
Het Koloniaal Instituut, geopend in 1926, en het Koloniale Museum (1871) droegen hun naam met ere. Maar na de bloedig bevochten onafhankelijkheid van Indonesië werd het woord koloniaal verdacht. In 1950 veranderde de naam in Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT), met daarbinnen het Tropenmuseum.
Het museum bleef voorwerpen verzamelen, maar kreeg er een enorm gebied bij om op te collectioneren. Die verbreding viel wonderwel samen met de opmars van de ontwikkelingssamenwerking. De beschavingsmissie, oorspronkelijk op de koloniën gericht, werd 180 graden gedraaid. Niet langer moest de Derde Wereld de morele weg worden gewezen, het was nu de Nederlandse bevolking zelf die iets te leren had. Etnische conflicten en armoede kwamen voort uit de verdeel- en heerstactiek van de slavernij en de koloniale periode. Toch kwam het kolonialisme zelf helemaal niet aan bod in de permanente tentoonstellingen, het ging meer om een achterliggend besef van schaamte en schuld, vertaald in positieve aandacht voor het eigene en het dynamische van de culturen overzee. In diezelfde lijn werd in de jaren zeventig een apart Kindermuseum opgericht, de schooljeugd kreeg haar eigen krant Samsam, en Soeterijn werd een belangrijk podium voor niet-westerse muziek en theater.
Maar de tropen zijn niet meer wat ze leken. Het geografisch begrip is een tijdlang ingeruild geweest voor een vaag besef van hele continenten met armoede en onderontwikkeling: 'de Derde Wereld'. Maar Azië en ook Latijns-Amerika kunnen vandaag de dag niet zonder meer zo worden gezien. Gemeten naar de activiteiten van het KIT zou Oost-Europa inmiddels ook deel uitmaken van de tropen.
Het werkterrein werd langzamerhand anders bekeken: niet vanuit het geven van hulp, maar in een wederkerige en gelijkwaardige relatie met onze 'partners in het zuiden'. Het Tropenmuseum ging allianties aan met musea in het zuiden, van Vietnam tot Suriname, tot voordeel van alle partijen.
Ondertussen is het Nederlandse publiek zelf ook ontwikkeld: het weet veel meer over de 'tropen', 'Derde Wereld' of 'ontwikkelingslanden'. Toerisme maar ook het uitsturen van werknemers naar verre landen vergroot de kennis. Belangrijker nog is dat mensen van overal zich in Nederland vestigen. Het publiek is multicultureel geworden.
Het ontwikkelingswerk wordt doortrokken van het besef dat kennis van de cultuur onontbeerlijk is om resultaten te boeken. De stijl van presenteren naar het Nederlandse publiek drukt uit dat respect voor en plezier in het beleven van die culturen hand in hand gaan. Wie het Kindermuseum bezoekt of Samsam leest, ziet dat die beleving heel belangrijk is en aansluit bij de beleving van de cultuur hier. Daar komt een sterke identificatie met anderen uit voort: kinderen in Nederland hebben buurkinderen van over de hele wereld.
Het kolonialisme als schuldig concept dat naar het verleden wijst (in onze kijk op het heden), lijkt zijn kracht te verliezen. Wie oog wil hebben voor het intercultureel worden van de samenleving heeft een grondige kennis van culturen nodig. Niet alleen op het KIT zijn trainingen op het gebied van cultuur de afgelopen jaren sterk in opmars. In het kijken naar andere culturen zijn we voornamelijk bezig met het kijken naar onszelf. Het andere en het eigene komen langzaam bij elkaar, al blijft het oppassen voor een nieuwe beschavingsmissie. De vraag is of het nog over de tropen gaat, en of het KIT niet beter een prijsvraag voor een nieuwe naam kan uitschrijven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.