T/m 15 februari in Galerie Carla Koch, Prinsengracht 510 sous, Amsterdam, wo-za 12-18 uur en zo 2-2 van 14-18 uur.
Aan deze omslag ligt een reis naar Japan ten grondslag die hem de ogen opende voor een nieuwe kijk op de keramiek. Die reis naar Japan kon hij ondernemen op uitnodiging van het keramiek producerende bedrijf Inax, dat hem drie jaar geleden een designprijs deed toekomen. In dit Mekka voor keramisten heeft hij enige tijd kunnen werken, maar even goed deed hij aan museumbezoek. Zo raakte hij gefascineerd door de kunst van het ontwerpen van wapens. Dat waren vooral zwaarden, maar ook messen, krissen, sikkels en dolken, wapens die in de Japanse riddertraditie een belangrijke plaats innemen.
In zijn nieuwe werk combineert Hermans (1959) de zwaard-, mes- en dolkvorm zonder daar grote symbolische waarde aan te geven. Hij handhaafde in klei zijn bouwkunstige constructies, maar laat die nu gedragen worden door mespuntige pijlers, die licht gebogen, gerond of juist pijnlijk stekend zijn gemaakt. Zo ontstaat een combinatie van vreedzame vormen (de gebouwen) met een woest en dus agressief ogend draagstel, die voorshands nog niet goed met elkaar sporen. Een voorbeeld is een moskee-achtig bouwwerk (een platte doos waarop een koepel in kobaltkleurig glazuur staat) die wil weglopen op een stelsel van sikkels. Het object heeft veel weg van een kwaadaardig insect dat vervaarlijk met zijn poten aan het rammelen is, klaar voor de aanval.
Met zijn voorkeur voor architectonische gegevens die hij in een minimal-achtige manier uitwerkte, toonde Hermans veel meer beeldhouwer dan keramist te zijn. Nu nog noemt hij de meerderheid van zijn objecten vazen, omdat ze altijd wel ergens een opening met een reservoir hebben waarin je eventueel een bloemetje kunt steken. Als beeldvormend element blijven zulke toevoegingen wel erg in een rudimentair stadium steken. Door het weglaten van dergelijke ingreepjes zouden zijn objecten beter op het niveau van autonome beelden kunnen verheffen. Dan nog blijven het keramische objecten, maar ze worden meer ruimtelijke uitspraken.
Een van de uitvloeisels van zijn minimal-aanpak was het beperkte gebruik van kleur. Zwart en groen als glazuur, meer kleur kwam er niet aan te pas. Hermans zoekt nu naar meer uitdrukkingskracht in kleur; zo zijn er meer variëiten van geel bijgekomen, maar ook crèmewit en kobaltblauw. Geel, de kleur van de haat, past natuurlijk goed bij de agressieve messen die de bouwconstructies als op sprinkhanenpoten willen wegdragen. Maar bij Hermans is het een soort citroengeel, onverzadigd en niet bijster rijk. Te veel geel doet afbreuk aan zijn objecten, het ontkracht de ruimtelijkheid, haalt de suggestie van het dynamische weg.
Ook hier geldt dat Hermans nog volop aan het zoeken is, aan zijn experimenten is nog geen einde gekomen. Dat leidt ertoe dat zijn expositie veel wisselende resultaten laat zien; er wordt veel gezocht, maar niet altijd is de uitkomst bevredigend. De tussentijdse uitkomsten zijn echter wel veelbelovend: in potentie is Hermans een eigenzinnig en krachtig-expressionistisch beeldhouwer van een type waarvan er niet al te veel in de Nederlandse sculpturale kunst voorkomen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.