Van een onzer verslaggevers LEIDEN - Kan dat nog in de moderne tijd: op gezag van het verleden goddelijk en onfeilbaar gezag toekennen aan de Bijbel of andere heilige teksten? Of is dat in een samenleving van wetenschap en vrije discussie in wezen onmogelijk? Duidt trouwens de geschiedenis er al niet op dat het heilig verklaren van bepaalde boeken, tradities en rituelen een zeer menselijk en dynamisch en dus open proces is? Wat, wie stempelt bepaalde boeken tot een 'canon' en is dit iets vloeiends of gefixeerd?
Dat waren maar enkele van de vragen die de afgelopen dagen in Leiden aan de orde waren bij een door de rijksuniversiteit belegd internationaal congres over 'canoniseren en ontcanoniseren'. Een keur van experts boog zich samen met belangstellende theologen van joodse, christelijke en minder duidelijke afkomst over het probleem hoe en waarom er 'canons' opkomen, en hoe eventueel hun gezag kan tanen of verdwijnen.
De deelnemers konden en zouden ook beslist niet willen beweren dat zij de eersten waren die zich rondom deze vragen verzamelden. Zo riep in de vorige eeuw al een Britse geleerde een congres bijeen om eens vergelijkenderwijze te bestuderen hoe dit proces van canonisatie was verlopen in het jodendom, christendom, boeddhisme, islam en nog meer en om met andere woorden op wetenschappelijke basis een soort 'canon van canons' op te stellen. Een anglicaanse theoloog van naam vond het een aardig idee, maar maakte één voorbehoud: je kon zo'n vergelijking over alle godsdiensten uitstrekken, maar natuurlijk niet over de boeken van het Oude en Nieuwe Testament, want alleen hún canonisatie was ècht van God en dus van een compleet andere orde dan die bij andere religies.
Honderd jaar later mag dit voorval in het Leidse gezelschap een gevoel van meewarigheid wekken, de kwestie komt nog vaak genoeg terug, telkens als de een volgens een ander aan het Schriftgezag tornt of alle godsdiensten en alle zogenaamde goddelijke openbaringen over één menselijke kam scheert.
'Canon' is niet per se een bijbels, of zelfs maar een religieus woord. Wel heeft het altijd iets 'heiligs': de canon van de geschriften van Shakespeare omvat dat wat 'echt' door de meester geschreven is. De r.-k. kerk zet sommige voorbeeldige mensen op de lijst ('canon') der heiligen, 'canoniseert' ze. En enkele jaren geleden rekte een protestantse kerklied-deskundige het woord zover op dat hij zelfs sprak over de 'canon' van het 'Liedboek voor de kerken', waaraan men zich vooral niet mocht vergrijpen.
In Leiden had dr. Jonathan Smith uit Chicago, godsdienstwetenschapper van wereldfaam, het over de 'canon-oorlogen' die onder geleerden woeden, en al lang geleden betreurde een andere geleerde het moment dat men ooit over een 'canon' van bijbelse boeken is begonnen.
Maar het is gebeurd, al was het maar dankzij Luther en Calvijn, die uitdrukkelijk de 'canon' inkrompen en zo kan het gebeuren dat er omgekeerd nu stemmen opgaan die een plekje voor het evangelie van Thomas in de canon bepleiten. Het geeft aan dat een voor eeuwig en altijd vaststaande lijst van heilige boeken in werkelijkheid meer een beweeglijk geheel is, naar zijn inhoud (interpretatie) en naar zijn omvang.
Prof. Bernhard Lang uit Paderborn lanceerde daarover nog een interessante hypothese, die ook voor menig hooggeleerde nieuw was. De joodse bijbel kende vanouds alleen de Wet (Thora) en de Profeten. Het derde deel van de joodse bijbel, de zogenaamde 'Geschriften', is volgens Lang later toegevoegd om de joodse 'canon' niet te laten onderdoen voor een Egyptische 'canon' uit Alexandrië en een Griekse. Beide bevatten ze een lijst van 36 schrijvers (of boeken), die in hun cultuur het totaal van de relevante geestelijke erfenis vormden - geschiedschrijving, lyriek, heilige geschriften, profetie, rituelen, filosofie, poëzie.
Prof. Lang liet dat voor wat betreft de Egyptenaren en de Grieken in mooie schema's zien en hij stelt dat Israël in zijn confrontatie met de buurvolken niet achter wilde blijven. Dat ook Israël een volwaardige 'canon' op de been kon brengen, van 36 boeken, inclusief 'seculiere' literatuur, poëzie en geschiedenis en dat men dus ook geen enkele behoefte had aan geestelijke import. Om overigens tegelijk toch hun traditionele aantal van 24 bijbelboeken aan te houden trok men de twaalf 'kleine profeten' tot één boek samen, evenals de boeken Ezra en Nehemia. Als er iets van deze visie klopt dan kan men voortaan met minder spiritueel trapezewerk de vraag beantwoorden wat het boek Kohelet of Prediker, een soort bijbelse Gerrit Komrij, of het schone erotische Hooglied in de Bijbelse 'canon' doen.
De Leidse hoogleraar H.J. Adriaanse ging onder meer in op de vraag of 'canonisering' in een tijd van modernisering en vrij wetenschappelijk onderzoek niet noodzakelijkerwijs moet verdwijnen - een onomkeerbaar proces van ontcanonisering. De 'canon' is geen rots meer in de branding van onze onzekerheid, maar drijft in zekere zin mee op de golven.
Volgens Adriaanse betekent een begrip als 'canon' dat er niet zoiets bestaat als de 'canon', maar er bestaan wel 'canons', het is een verschijnsel in de menselijke cultuur en ze functioneren voor mensen normatief.
Beleven we inderdaad een onomkeerbare en steeds verder gaande afkalving van het verschijnsel 'canon'?, vraagt Adriaanse zich af. In de strikte zin kan hij het zich moeilijk anders voorstellen. Maar hij voegde er nog iets aan toe: tot de aard van de klassieke 'canon' behoort dat deze niet alleen normatief is maar ook een identiteit versterkt en een wijder zinsverband aangeeft. Wat dat betreft ziet hij in de moderne samenleving nog wel degelijk ruimte voor een moderne 'canonvorming'. Of leidt dat maar op dwaalsporen? De hooggeleerde zegt dat niet te weten; hij wil zich door de tijd laten leren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.