Van onze redactie economie DEN HAAG - Minister De Boer (milieubeheer) ziet af van haar eis dat bedrijven altijd maatregelen moeten nemen als de stank die zij verspreiden bepaalde normen overschrijdt. Volgens De Boer heeft het in een klein land als Nederland geen zin om strikte normen voor stank op te stellen. Het naleven van zo'n strikte norm zou het bedrijfsleven bovendien op te hoge kosten jagen.
De bewindsvrouw schrijft dit in een brief aan de Tweede Kamer, die op 29 maart debatteert over de aanpak van wat in Haags jargon 'geurhinder' heet. In de brief schrijft De Boer dat bedrijven het verspreiden van (onwelriekende) geuren zo veel moeten beperken als redelijkerwijs mogelijk is. Het is aan provincies en gemeenten om, in samenspraak met bedrijven, te bepalen wat 'redelijk' is. Naast de mate van de stank en de aard van de geur moeten gemeenten en provincies in hun afweging rekening houden met de effectiviteit van maatregelen en de kosten die daaraan gebonden zijn voor bedrijven. Bedrijven hoeven niet op te hoge kosten te worden gejaagd om stank tegen te gaan.
Provincies en gemeenten kunnen zich bij hun afwegingen baseren op zogeheten bedrijfstak-studies, waarvan er een aantal is afgerond. Die studies geven voor twintig bedrijfstakken inzicht in de hoeveelheid stank (veel of weinig), het soort geur (aangenaam, ergerlijk of walgelijk), de maatregelen die bedrijven kunnen nemen en de kosten daarvan.
Met dit standpunt komt De Boer tegemoet aan de kritiek uit het bedrijfsleven op eerdere voorstellen om de stankoverlast te bestrijden. De kritiek was onder meer afkomstig van bakkerijen, cacao-fabrieken en brouwerijen, die stelden dat de geuren die zij verspreiden (vaak) niet als hinderlijk worden ervaren. Volgens die bedrijven gaf het geen pas om één algemene norm voor stank te hanteren. Koekfabrikant Peijnenburg dreigde zelfs in het buitenland te gaan produceren omdat het bedrijf zeer hoge kosten zou moeten maken om aan de aanvankelijk voorgestelde normen te voldoen.
De brief waarin De Boer de verplichtende norm vaarwel zegt, is dan ook goed ontvangen bij de werkgeversorganisatie VNO NCW. “Wij zijn op hoofdlijnen tevreden”, stelt milieumedewerker Zijlstra, die wel aantekent dat nu niet helder is wanneer bedrijven maatregelen moeten nemen. “De situatie kan ontstaan dat de ene gemeente strengere eisen hanteert of hardere maatregelen eist dan de andere. De brief had daar wel wat duidelijker over mogen zijn.”
De Stichting Natuur en Milieu is teleurgesteld en heeft er, aldus woordvoerder Fransen, “weinig vertrouwen in dat het stankprobleem echt wordt aangepakt. Fransen had graag een onderscheid gezien tussen geuren die als aangenaam worden ervaren (zoals de geuren die bakkerijen verlaten) en de geuren die als naar of walgelijk worden gekwalificeerd. Fransen vreest verder dat bedrijven de kosten voor het bestrijden van stank al snel als 'te hoog' zullen bestempelen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.