*

 
dossier

Archief

Fenomeen met oog voor het zoete leven

Matty Verkamman − 20/03/99, 00:00

Op 3 februari 1925 overleed Jaap Eden. Tot op de dag van vandaag wordt hij wel Neerlands grootste sportman genoemd.

Jaap Eden werd maar 51 jaar. Aan het einde van zijn bijzondere leven overheerste de ellende. De roem en de rijkdom die hem als vijfvoudig wereldkampioen schaatsen en wielrennen in het laatste decennium van de vorige eeuw ten deel vielen, hadden al voor zijn dertigste jaar plaatsgemaakt voor kommer en kwel. Toen hij stierf, werd in zijn woonplaats Haarlem geld ingezameld. Van dat geld werd een monument op zijn graf betaald en kon Jaaps weduwe in de Tempelierstraat een sigarenwinkel beginnen.

Sigaren - daar had Jaap Eden zelf ook wel iets mee gehad. Toen hij in 1896 profwielrenner werd, trok hij onmiddellijk naar Parijs. In de Lichtstad was hij vaker in dubieuze drankgelegenheden te vinden dan op de wielerbaan. Graag liet de sportheld zich omgeven door dames van een bepaald slag: dames in veren en met een glas in de hand, Jaap ertussenin met een dikke sigaar in de mond. Het was deze levensstijl, waar zijn biografen schande van spraken, zij het doorgaans in bedekte termen.

Zoals bijvoorbeeld Max Adriani Engels, de publicist die 'Van Jaap Eden tot Jan Derksen' en 'Honderd Jaar Sport' schreef. Adriani Engels vertrouwde ondermeer deze zin aan het papier toe: ,,De sportwereld bracht na zijn dood geld bijeen om een blijvende herinnering te houden aan deze sportcrack, die te nonchalant was omgesprongen met de veelzijdige talenten van zijn body, die niet in overeenstemming waren met de capaciteiten van zijn geest.''

Met andere woorden: Jaap Eden was als sportman een fenomeen - driemaal wereldkampioen hardrijden op de schaats, tweemaal wereldkampioen op de wielerbaan - maar verder een domoor en maatschappelijk een mislukkeling. Een feit was dat Eden zijn geld als profrenner er snel doordraaide, dat hij op zijn 29ste jaar eigenlijk al was uitgefietst en dat hij ten slotte van het ene kleine baantje in het andere rolde om in zijn levensonderhoud te voorzien. De langste tijd was hij chauffeur op een vrachtwagen.

Toch kan anderzijds ook de vraag worden gesteld of Jaap Eden wel altijd recht is gedaan door degenen die over hem schreven. Misschien was Jaap vooral veel avontuurlijker dan zijn sportminnende omgeving verlangde. Als kind was hij in de watten gelegd door zijn grootvader, die in Velserend een hotel had. Een week na zijn geboorte was moeder Eden overleden en was zijn Groningse vader - een gymnastiekleraar - blijkbaar niet in staat geweest de opvoeding voor zijn rekening te nemen.

Jaap had een aangenaam leven bij zijn ruim levende opa. Op school was hij weliswaar geen uitblinker, maar in de Haarlemse sportclub 'De Damiaatjes' was hij al spoedig de nummer een. Pim Mulier, de sportvader des vaderlands, was bij de Damiaatjes een clubgenoot van de negen jaar jongere Jaap.

Voor schaatsen bleek Jaap Eden al spoedig een natuurlijke aanleg te hebben. In 1889 won hij als jongen van vijftien jaar in Abcoude zijn eerste grote schaatsprijs. Vier jaar later bleef hij alle Noorse concurrenten voor en mocht hij zich in Amsterdam tot wereldkampioen laten huldigen. De wereldtitel greep hij ook in 1895 in Hamar en in 1896 in het verre St. Petersburg. Eden moet een groot schaatsenrijder zijn geweest. Het wereldrecord op de vijf kilometer dat hij in 1894 in Hamar vestigde (8.37.6) zou pas in 1915 worden verbeterd. En toen hij in 1894 op de tien kilometer als eerste onder de grens van achttien minuten dook, werd aanvankelijk verondersteld dat de tijdwaarnemers een fout hadden gemaakt. Dat was niet het geval.

Jaap Eden had zijn eerste wereldtitel schaatsen al te pakken, toen hij in de zomer van 1893 met wielrennen begon. Ook in deze tak van sport was hij meteen een uitblinker. Met zijn ijzersterke lichaam was hij een allround baanrenner. Hij kon sprinten, maar ook op de lange afstanden was hij bijna niet te kloppen. Al in 1894 werd hij in Antwerpen wereldkampioen op de tien kilometer, een jaar later was hij op de sprint in Keulen de nummer een.

Nederland was in die tijd nog niet in de ban van sport, maar alle wereldtitels van Jaap Eden spraken toch wel tot de verbeelding. Dat had Jaap op den duur ook door. Wat kocht hij er eigenlijk voor, zo dacht hij op zeker moment, wanneer hij steeds weer als 'ambassadeur voor de sport' werd geprezen, maar zelf wel alle kosten voor zijn hobby moest betalen? Op die vraag gaf hij zelf meteen na zijn laatste schaatstitel in St. Petersburg het antwoord. Hij werd beroepswielrenner. Die stap werd in het Nederland van kort voor de eeuwwende vrijwel unaniem als afkeurenswaardig beschouwd. Sport was toen nog veelal de particuliere speeltuin van de betere milieus. In die kringen had men domweg het geld niet nodig van zoiets ordinairs als profsport. Jaap Eden dacht er anders over. Hij kon tenslotte niet blijven teren op de donaties van zijn familie. Alleen al door die stap naar een professioneel bestaan werd Eden door veel Nederlanders als een vreemde figuur gebrandmerkt.

Aanvankelijk waren Edens verdiensten in Parijs royaal. De bandenfabrikant Dunlop betaalde hem het kolossale jaarsalaris van vijfduizend gulden. Een feit was ook dat hij allesbehalve ongevoelig was voor het zoete leventje in de Franse hoofdstad. Dat hij niet langer voor honderd procent voor zijn sport leefde, kwam naar voren toen hij weigerde deel te nemen aan het wereldkampioenschap in Kopenhagen. ,,Iedereen weet toch wel wie de beste is, dat hoef ik niet meer te bewijzen'', zei Jaap. Hij bleef in Parijs, nam nog een glaasje en een sigaar. En de dames hadden ook zo hun plezierige kanten.

mailIcon print |