Filosofie Magazine, oktober, ¿ 10,50. London Review of Books, 3/10, ¿ 8,90.
Wie van een nationale bewakingsdienst voor kinderzielen, bemand door psychologen, eerder extra misère verwacht, vindt in hetzelfde maandblad steun bij Gerd Achenbach en Harry Kunneman. Achenbach verstrekt te Bergisch-Gladbach voor 135 mark per uur filosofische hulp aan mensen die gewoonlijk tot de klantenkring van psychologen worden gerekend. Kunneman onderwijst tegen professoraal tarief filosofie aan de Universiteit voor humanistiek in Utrecht.
Psychologen duwen hun patiënten, 'mensen met overkomelijk zieleleed', alleen maar dieper de put in, meent Achenbach. Door hen tot navelstaren aan te zetten, maken ze hun cliënten gevoeliger voor oneffenheden in het verleden, en dus ongelukkiger en afhankelijker van de psycholoog.
Zelf benadert de Duitse wijsgeer hen, niet als individuen met een onherroepelijk, getraumatiseerd verleden, maar als 'architecten van hun eigen leven', in staat om 'hun ideeën over het leven te verhelderen en zonodig te veranderen', en bij machte ook, met enige filosofische bijstand, om weerstand te bieden aan de tijdgeest.
Ook Kunneman is van oordeel dat veel lijders aan psychische pijn niet gebaat zijn met de 'oplossingsgerichte' aanpak van psychologische hulpverleners. Bestaansverheldering hebben ze nodig, opdat ze 'de pijn om zo te (hebben) moeten leven' kunnen toelaten en 'eigen duidingen kunnen vinden voor de raadsels, het verdriet en het verlangen die daarmee verbonden zijn'.
Beide beoefenaars van de filosofie attaqueren ook de wonderlijke theorievorming in de psychologie (en de psychiatrie). De Duitser steekt de draak met het Oedipuscomplex: “Eerst was het er niet, toen was het er wel, toen waren er acht varianten, toen zestien en nu zijn het er al 32. Zo verzekert de psycholoog zichzelf van werk”.
Kunneman graaft wat dieper, maar stuit nergens op 'een omvattende theorie van de psyche' waar de deskundigen het ook maar enigszins over eens zijn, laat staan dat ze er betrouwbare therapeutische richtlijnen aan kunnen ontlenen. Ze doen alleen maar alsof. Daarmee verhullen ze hoezeer het therapeutisch repertoire beheerst wordt door 'individuele willekeur en - nu eens creatief, dan weer schadelijk - gerommel'.
Wat Kunneman evenmin bevalt, is dat de meeste verstrekkers van psychische hulp zich blindstaren op de enkeling, zich niet bekommerend om maatschappelijke oorzaken van zielenleed. De persoon gaat in therapie, maar het bedrijf, het instituut of de school blijft buiten schot.
Door een interviewster met dezelfde kritiek geconfronteerd, grijpt Van Dantzig aanvankelijk naar het etiket 'ouderwets neo-marxisme'. Maar wanneer ze volhoudt, geeft hij toe: wanneer je als therapeut “merkt dat een bepaalde bepaalde situatie veel mensen ziek maakt, dan zou het je taak zijn om dat te melden.” “Wat dat betreft is het jammer dat Freud zoveel nadruk is gaan leggen op de psychische beleving, ten koste van de reële ellende.”
Een verklaring voor de gestage groei van de therapeutische klantenkring biedt, ook in FM, de cultuurpsycholoog Ruud Abma. Er heeft zich 'een kwalitatieve omslag in ons denken' voltrokken. Meer dan onze voorouders zijn we geneigd, de oorzaken van levensproblemen in de psyche te zoeken en een oplossing van te verwachten van 'psy-professionals'.
Vroeger, vóór de secularisatie, moest troost van boven komen en werden de tranen pas voorgoed afgewist in de hemel. Nu moet het op aarde gebeuren, en de psychologen weten wel hoe.
Abma heeft van hun therapeutische wiskracht geen al te hoge verwachtingen. Ze kunnen misschien neurotische ellende verlichten, maar de problemen van het gewone leven lossen ze niet op, laat staan dat hun bezigheden geluk brengen. (Maar dat beogen we ook helemaal niet, zegt Van Dantzig. Wat therapie doet, is mensen 'de waarheid van hun gevoel' teruggeven, 'in de veronderstelling dat de waarheid altijd beter is dan de neurose'.)
Iemand die uit eigen levenservaring van Abma's 'kwalitatieve omslag' kan meepraten, is de joodse schrijver Chaim Potok. Hij groeide op, zegt hij in FM, in een verticaal geordende, autoritaire wereld: “God, beloning en de hemel boven; hel en straf beneden. Wij zaten daar ergens tussenin en gingen op en neer, afhankelijk van onze gehoorzaamheid aan het woord van God”.
Potok is uit dat model gestapt en heeft ook de geseculariseerde concurrenten ervan, inclusief marxisme en psychoanalyse, zien sneuvelen:
“Ongeveer het enige model dat nog leeft (. . .) is het nietzscheaanse: je moet de vergankelijkheid van denkbeelden aandurven en de chaos recht in de ogen kijken. Niet 'zijn' is de grondcategorie van het denken, maar 'worden'. Vrijwel iedereen is teruggekeerd naar het goeie ouwe pragmatisme van William James: je test dit, je test dat en je houdt eraan vast zolang het werkt. Nihilistisch pragmatisme, in die situatie zitten we nu.”
In The Londen Review of Books besprak James Wood onlangs een stapeltje boeken met 'God' in de titel. In een ervan beval een katholiek aan Potoks pragmatisch winkelend publiek het christendom aan als hét medicijn tegen levensmisère en doodsangst. Daar stond Wood, zelf vervreemd van een evangelical milieu, van te kijken.
Christenen die hun geloof aanprijzen als een voordeelaanbieding, zijn, constateerde hij, wel heel ver van huis. Het christendom staat en valt met zijn aanspraak op een reeks waarheden, waarvan de verplichtingen en beloften die het met zich brengt, zijn afgeleid. Wie het als therapie recommandeert, heeft geen weerwoord meer op de markt waar concurrenten hoog opgeven van andere geneesmiddelen: 'Prozac bijvoorbeeld, of liefde, of literatuur'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.