*

 
dossier

Archief

Toen ik een baan kreeg, was ik door het dolle heen

RUUD VAN HAASTRECHT − 22/01/97, 00:00

Nooit gedacht en toch ervoor aan het studeren. Willemijn Vernout wilde alles, behalve leraar worden. Dat waren haar ouders al, haar moeder op de basisschool, haar vader op de Pedagogische academie voor basisonderwijs. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan: op een open dag van de Pabo in Assen werd ze toch enthousiast. Daarna stroomde ze door naar de universiteit, Nederlands met de universitaire lerarenopleiding erachteraan. Twee jaar geleden zat ze er middenin en droomde ze van een combi-baan: lesgeven op de basisschool en middelbare school tegelijk. Ze maakte zich geen zorgen dat ze niet aan de slag zou komen. “Ik heb snel een baan, denk ik.”

Het is strak plannen met Willemijn Vernout, intussen 27. Haar agenda zit boordevol. Maar “door het nuttige met het aangename te combineren” zoals ze zegt, lukt het toch. Samen eten we de Daghap in 't Feithhuis, bij de Martinitoren. Ze heeft er net een dag zwoegen opzitten aan de Groningse universiteit. En zometeen om kwart over zeven moet ze op de trein springen naar Utrecht. Onze aardappelkroketjes en frietjes zullen niet de aandacht krijgen die ze verdienen.

Net als tijdens het jaar lerarenopleiding heeft Willemijn Vernout het druk, druk, druk. Die combi-baan heeft ze inderdaad gekregen, maar dan wel een hele andere dan in haar stoutste dromen. Nog voor ze was afgestudeerd had ze haar eerste baantje er al opzitten. Een vriendin van haar die aan de Hogeschool in Deventer werkt, tipte haar dat een docent overspannen was geworden. Willemijn meldde zichzelf aan en mocht zich door een dikke stapel stageverslagen heenworstelen. “Dat ging heel aardig,” zegt ze bescheiden. Onder het motto 'je weet maar nooit' stuurde ze als afscheidsgroet een briefje aan haar begeleidster: mocht er weer eens wat te doen zijn, sprong ze graag bij.

Koud terug van vakantie klepperde een brief uit Deventer door haar brievenbus. De Hogeschool zocht nog iemand die zes weken schriftelijke taalvaardigheid kon geven aan de eerstejaars van de Academie Mens & Arbeid. Willemijn hapte gelijk toe. Razend leuk vond ze het en de Hogeschool was ook dik tevreden.

Ze was nog maar net als inval-docent begonnen toen de volgende kans zich aandiende, via diezelfde vriendin. “Een gouden vriendin,' knikt ze. De Pabo in Deventer had wat lesuren Nederlands in de aanbieding. Een telefoontje en een gesprek verder was ze aangenomen. Ze werkt er nu nòg. “Het was natuurlijk heel erg op mijn lijf geschreven,” zegt ze, wijzend op haar vooropleiding van Pabo en Nederlands.

In diezelfde tijd kreeg ze een telefoontje van haar oude faculteit. Ze waren haar nog niet vergeten. De vakgroep wilde een cursus Nederlands gaan maken voor leerlingen tussen 12 en 16 jaar, die uit het buitenland hier op school komen. Er was nog één vacature voor een auteur. “Ze vroegen me: zou je dat willen doen?, zou je daaraan mee willen werken? Ik: heuh, heuh, dat leek me geweldig, natuurlijk! Er was nog een andere kandidate, ook net van de universitaire lerarenopleiding. We moesten alletwee een proefles maken en een gesprek voeren met de projectleider. Nee, het was geen sollicitatiegesprek, het was vrij ontspannen. Toen werd ik diezelfde dag nog gebeld dat ik het geworden was. Toen was ik helemaal door het dolle heen.”

Haar hartewens om nog eens iets met haar afstudeerrichting te doen, was uitgekomen. Twee jaar geleden had ze daar nog haar twijfels over. In de taalbeheersing zijn maar weinig banen, wist ze. Daarna had ze het idee uit haar hoofd gezet. “Dat is veel te moeilijk,” sprak ze tot zichzelf, “daar kom ik nooit tussen”.

Nu fietst ze alweer meer dan een jaar drie dagen per week naar de faculteit. Daar bedenkt ze achter de computer hoe allochtone jongeren snel goed Nederlands kunnen leren. Er zit schot in het project. Binnenkort gaan de eerste tien lessen naar de uitgever. Die gaat de teksten vormgeven en maakt er geluidsbanden en een videoband bij. Bij het begin van het nieuwe schooljaar moeten ze klaar zijn.

Deze eerste lessen gaan over praktische dingen, zoals school, verkeer, en eten en drinken. In de andere vijftig lessen die nog in de maak zijn, zal het meer gaan over de Nederlandse samenleving. Maar, zegt Willemijn, “we proberen intercultureel te werken, dus niet alleen van Nederlandse normen en waarden uit te gaan. Want je maakt het lesmateriaal voor klassen waar soms wel tien verschillende nationaliteiten in zitten.”

Over de aanpak van onderwerpen waar in westerse culturen anders wordt gedacht, zoals de posititie van de vrouw, heeft ze nog niet haar hoofd hoeven breken. Maar ook bij huis-tuin-en-keukendingen kan het al botsen, zegt Willemijn. “Bijvoorbeeld met huisdieren. In les twee zouden huisdieren aan bod komen. Maar in heel veel culturen hebben mensen geen huisdieren. Een hond wordt zelfs als onrein gezien. Dus je mag dat niet zo vaak laten terugkeren in de les dat zo'n leerling denkt: 'getsie, het gaat steeds over die onreine hond'. Maar je moet wel weer laten zien dat veel Nederlanders wèl een huisdier hebben.”

Eigenlijk heeft ze meteen al de ideale baan, vindt Willemijn, met die combinatie van lessen geven en maken. Hooguit wil ze, als eind '98 het taalproject af is, iets meer gaan doceren dan die ene dag die ze nu doet. De basisschool trekt ook nog altijd. Tegelijkertijd lesgeven op Pabo en basisschool lijkt haar ook leuk. Nu leeft ze zich uit op de groepsleerkrachten in spe. Al te lastig zijn die niet. Ze weten dat ze straks in hetzelfde schuitje zitten. En als ze zo nu en dan rumoerig zijn, probeert Willemijn ze op telkens andere manieren weer in het gareel te krijgen. Zo steken de studenten er ook nog wat van op. De lessen bereidt ze voor op de halve doordeweekse dag die ze nog overhoudt, of soms op zaterdag of zondag. Als ze tenminste niet een hele bubs tentamens mee naar huis heeft, waarin ze zich een weekend lang moet begraven.

Niet alle studenten van haar lichting op de universitaire lerarenopleiding hebben zo gemazzeld. Hooguit de helft is in het onderwijs aan de slag gekomen, schat Willemijn, de rest doet iets anders, van milieu-actievoerder tot software-ontwerper en godgeleerde. En tenminste één zoekt nog altijd naar een baan. In april is er een reünietje, dan weet Willemijn meer.

Maar zelf is en blijft ze een zondagskind. Ze heeft alleen maar leuke collega's, prettige bazen, het is lekker om geld te hebben zodat je ook een broek kunt kopen als je 'm niet per se nodig hebt, de opleiding sloot goed aan op de praktijk. Is er nou ècht helemaal niets vervelend aan het docentenbestaan? Overwegend is het leuk, antwoordt ze, al zijn er natuurlijk van die baaldagen. “Dan denk je aan het eind van de dag: wat heb ik nou eigenlijk gedaan vandaag?”

mailIcon print |