Ik heb er tweemaal gespeeld. Eerst een toernooi voor jeugdploegen, met de DDR, Turkije, ik meen de zeldzaam goede Tsjechen, een Cubaans onderonsje, wat schamel geklede Bulgaren en wij, de jonge leeuwen van Oranje. Het toernooi werd in Leipzig gespeeld, in een ellendig grote, zeldzaam ongezellige zaal van de Sport Hochschule. Turnvader Jahn keek op ons neer en wij, jonge jongens uit het sportnietige Nederland, keken onze ogen uit.
In dat gebouwencomplex wemelde het van de trainingszalen, zaaltjes, zwembaden, sauna's, kamertjes en vooral verboden ruimtes. Ik herinner me dat goed. Na (weer een verloren) wedstrijd moesten we ons verkleden in (zeg maar) Umkleidezimmer Sieben, maar we vonden een dichte deur. Na enige omtrekkende bewegingen gingen we serieus op zoek naar iemand die ons kon helpen. Zo openden we een deur van een kamer waar een stuk of tien jonge sporters op massagetafels lagen met allerlei draden aan hun lijf.
Met drie man stonden we heel eventjes binnen alvorens we met strakke en zekere hand door één van de Duiters in witte jas buiten de deur werden gewerkt. Vanaf dat moment wist ik, in al mijn naïeve onwetendheid, dat het daar in de DDR niet pluis was.
Gedurende dat toernooi maakte ik kennis met één van de DDR-spelers, een jongen die ik voor het gemak Heinz zal noemen. Goede speler, een beetje mijn lengte, maar sterker. Breder vooral. Hij kwam uit Rostock en woonde intern op de Hochschule. We schreven elkaar een paar brieven en van mijn ouders kreeg ik, in de winter van 1965, geld om een Kerstpakket naar hem op te sturen. Een spijkerbroek, chocolade, twee truien en witte sportsokken. Het duurde drie jaar voordat ik antwoord kreeg op die Kerstzending.
Toen, in 1968, reisden we met Flamingo's, de landskampioen basketball van dat jaar, naar (weer) Leipzig om er tegen ASK te spelen.
Weer in die onwaarschijnlijk grote hal, waar bijna geen toeschouwer aanwezig was en waar Cubaanse volleyballers, Russische turners, Roemeense kogelstootsters en Soedanese afstandlopers op de tribune werden gezet om nog enigszins voor decor te zorgen.
Ik kwam Heinz op de eerste avond van ons verblijf tegen. Hij sloop ons hotel binnen en maakte een geweldig nerveuze indruk. Eenmaal op mijn kamer vertelde hij bijna vrijuit, niet nadat hij spiedend onder bed, lampen en tafel had gekeken. Je kon worden afgeluisterd, wist hij en als wij dat niet wilden geloven, was hem dat best, hij wilde er zeker van zijn.
Hij vertelde toen van zijn leven als sportman. Een hel gelijk. Basketbal was geen 'Leistungssport' meer, dus er was nauwelijks nog geld beschikbaar en ook was ineens de medische zorg gestopt. Ik was toen nog steeds naïef, wist weliswaar (of dacht te weten) wat er vooral in de DDR gebeurde, en luisterde met grote oren. Heinz vertelde van de onvoorstelbare hoeveelheden spierversterkende middelen die hij en zijn ploeggenoten hadden moeten innemen en die hem impotent gemaakt hadden. Net zoals bijna al zijn kameraden. Hij schilderde het beeld van een sportutopie met allemaal Dr. Strangeloves aan het roer. Hoe hij vijf jaar lang door reageerbuisjes was gehaald en hoe, ineens, besloten was basketbal af te stoten. Heinz vertelde over van alles: doktoren, proeven, trainingskampen, straffen, salarissen, verkochte wedstrijden tegen Russen en Polen, vakanties naar Oloumouc (met de familie) en gebruik van (inderdaad) een DDR-autootje, een grijs Trabantje.
Later kreeg ik nog éénmaal een brief. Vanuit Praag verstuurd, via vrienden meegesmokkeld. Hij was havenarbeider geworden, had last van ernstige spierproblemen en smeekte me om zijn zuster uit de DDR te halen. Zij was een verdienstelijk kunstrijdster, schreef hij, maar moest testen ondergaan die mensonterend waren. Hij schreef dat ze nog meer injecties had gekregen dan hij in zijn loopbaan en dat ze allerlei afwijkingen ging vertonen: opvallend zware stem, haargroei, ernstig vergrote clitoris en dat voor een mooi meisje van achttien.
Wat Heinz toen vergat was zijn nieuwe adres te vermelden. Ik schreef nooit terug, kon niet antwoorden.
Deze dagen moest ik vreselijk aan die ontmoetingen in Leipzig denken.
Natuurlijk wisten we wat daar gebeurde, zoals iedereen in de grote sportwereld dat eigenlijk wel wist. Maar wie bewees wat? Wie deed er iets? Niemand toch. Dopingtests waren okay, hoewel zeer verdacht. De hoge heren lachten en keken de andere kant op, tot en met Samaranch toe. Dopingdeskundigen schudden hun hoofd, sportmensen dachten veel, maar zelden hardop.
Er moest een muur vallen alvorens een afschuwelijk systeem ontmanteld kon worden. En nog duurde het jaren en nog kreeg zo'n hypocriete valsspeler een accreditatie voor een zwemtoernooi.
Waar zou Heinz nu zijn? En hoe gaat het met zijn lijf? En dat van zijn zusje?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.