Wie dit jaar het International Filmfestival Rotterdam bezoekt, blameert zich wanneer hij zich niet buiten het Pathé-multiplex begeeft waar vooral de traditioneel verhalende films te zien zullen zijn. Om op de hoogte te komen van de laatste ontwikkelingen in de cinema is op zijn minst ook een bezoek nodig aan museum Boijmans van Beuningen, het Nederlands Architectuur Instituut en centrum voor hedendaagse kunst Witte de With.
Vooral in de daar opgestelde 'installaties' treedt de filmkunst buiten haar oevers en dringt ze binnen in de architectuur, de schilderkunst en de andere traditionele beeldende kunsten. Een gesprek met festivaldirecteur Simon Field over de achtergonden van dit crossover-fenomeen, dat hem al fascineerde voordat het een internationale trend werd.
Behalve voor film heeft Field zich ook altijd voor de andere plastische kunsten geïnteresseerd. Zo was hij voordat hij in filmwereld verzeild raakte actief als criticus bij een kunsttijdschrift. Bij het Institute of Contemperary Arts waar hij voor hij naar Rotterdam verkaste de filmafdeling leidde, kwamen film en de andere beeldende kunsten bijna vanzelf met elkaar in contact.
Simon Field: “Film werd daar - bij wijze van spreken - te midden van de andere beeldende kunsten geëxposeerd. De kruisbestuivingen lagen er voor het opscheppen. Als een architect, schilder, of beeldhouwer gaat filmen ontstaat er vaak iets heel boeiends. Ze gaan anders met de cinema om dan filmmakers; niet visueler, maar wel veel poëtischer, muzikaler. En ze zijn minder op het vertellen van een verhaal gericht.”
“Het werk van Ernie Gehr dat wij nu zijn geheel presenteren, is een prachtig voorbeeld. Hij verkent plekken in grote steden. Daarbij filmt hij die ruimtes en registreert hij de geluiden op een manier die je in de normale cinema niet tegenkomt. In 'Side/Walk/Shuttle' bijvoorbeeld bekijkt hij San Franciso vanuit een glazen lift aan een buitenmuur van een hotel. Het resultaat is een bijna muzikale improvisatie op het thema ruimte.”
“Kunstenaars als Gehr kunnen altijd op mijn sympathie rekenen”, vertelt Field. “Het sprak voor mij dan ook vanzelf dat ik in Rotterdam contact zou zoeken met het Boijmans, Witte de With en het Nederlands Architectuur Instituut.” Hij klopte niet tevergeefs aan. Ook Chris Dercon van het Boijmans, Bartomeu Mari van Witte de With en Kristin Feireiss van het NAi verkeren in de ban van de kruisbestuivingen tussen film en de andere visuele kunsten. “Met Dercon is er duidelijke sprake van een gedeelde belangstelling. De installaties in het Boijmans zijn dan ook een gemeenschappelijk initiatief van beide direkties. Het 'Home, screen, home'- programma in Witte de With en de expositie van de filmdecors van Alexandre Trauner in het NAi zijn eigen initiatieven van die instellingen. Maar omdat het om verwante thema's gaat, hebben we in onderling overleg afgesproken alle manifestaties op hetzelfde moment plaats te laten vinden.”
Dat deze Rotterdamse kunstinstituten tegelijktijd 'crossovers' oppikken, heeft volgens Field weinig te maken met feit dat hij en zijn collega-directeuren uit het buitenland stammen. Volgens hem dringt het (bewegende) beeld op het ogenblik overal ter wereld de traditionele beeldende kunsten binnen. Er is sprake van zo'n duidelijke trend dat hij ook door Nederlandse directeuren opgepikt zou zijn.
Zoals het een voormalig kunstcriticus betaamt, schroomt Field niet deze trend te verklaren. “Dat bewegende beelden en foto's de andere visuele kunsten en ook het theater infiltreren, komt vooral doordat het beeld in de afgelopen eeuw ons dagelijkse leven is gaan beheersen. De popart-kunstenaars uit de jaren zestig en zeventig haalden foto's en reclame-uitingen al het museum in. Door het oprukken van de tv, de komst van de video de computer, de cd-roms, etc., is de betekenis van het beeld in ons dagelijkse leven nog veel groter geworden.”
“Dat geldt natuurlijk ook voor kunstenaars. Ze zouden stekeblind zijn als ze het beeld niet in hun kunstuitingen intergreerden. Het is voor hen een creatief werktuig geworden. Vooral jonge kunstenaars werken veel met video en interactieve media. Geen wonder, want zij zijn er mee groot geworden. Als verschijnsel is het overigens helemaal niet zo nieuw”, voegt Field er aan toe. “Al in de jaren twintig waren er kunstenaars die beseften dat het bewegende beeld een belangrijke rol zou gaan spelen. De Franse schilder Fernand Léger bijvoorbeeld heeft de mogelijkheden van film al verkend.”
Terwijl Simon Field en zijn Rotterdamse collega-directeuren de crossovers ruim baan geven en hun festival en musea (gedeeltelijk) omtoveren tot een soort multi-media-centra, lijkt Rudi Fuchs van het Stedelijk Museum in Amsterdam een andere weg in te slaan. Hij is van mening dat het museum in de tijd weer een tempel van de traditionele beeldende kunsten moet worden en dat een schilder maar één materiaal heeft: verf, verf en nog eens verf.
Field reageert verbaasd maar denkt ook dat de soep wel niet zo heet gegeten zal worden als hij opgediend wordt. Nuchter relativeert hij: “In de kunst gaat alles met golfbewegingen: wanneer de schilderkunst een tijdje in het verdomhoekje heeft gezeten, kun je er vergif op innemen dat er een renaissance van de schilderkunst komt.”
Aan de kruisbestuiving tussen het (bewegende) beeld en de visuele kunsten zit nog een ander aspect. De filmers rukken op naar het museum en schuwen ook de moderne interactieve media niet. Zo maakten bijvoorbeeld Chantal Akerman en Chris Marker (van wie werk op het festival te zien is) museale installaties. Peter Greenaway richtte een paar jaar geleden in Boijmans zelfs een complete tentoonstelling in. Bovendien droomt hij, evenals trouwens Marker, hardop over een mengvorm van film en cd-rom waarbij de kijkers actief in het kunstwerk kunnen ingrijpen. Wat brengt deze toongevende cineasten er toch toe hun heil buiten de cinema te zoeken?
Field vermoedt dat ze “verlangen ze een nieuw publiek, een nieuwe reactie op hun werk. Filmers als Akerman, Greenaway en Sukorov worden nu ook door serieuze kunstcritci besproken. Vooral aan Greenaway merk je duidelijk dat hij aan het platte scherm niet meer genoeg heeft. Hij wil het (bewegende) beeld met andere objecten confronteren en in een drie-dimensionale ruimten plaatsen.”
“Dat de meest avontuurlijke kunstenaars naar de musea en interactieve media uitwijken, komt misschien ook wel doordat ze de artistieke film als een korset zijn gaan ervaren. In vergelijking met zo'n dertig, veertig jaar geleden is die veel traditioneler geworden. Toen kon bijvoorbeeld Godard nog school maken moet hoogst experimentele films; nu halen zijn films zelfs de arthouses niet meer.”
Behalve de vele crossovers die dit soort serieuze bespiegelingen meer dan waard zijn, presenteert het festival ook voorbeelden van kruisbestuivingen die met een enkel woord afgedaan lijken te kunnen worden. Zo treden er tal van muzikanten op die muziek en beeld integreren. Ze lijken slechts bedoeld om het suf gekeken publiek even wat verstrooiing te bieden. Bovendien doen ze sterk denken aan de beproefde combinatie van popmuziek en vloeistofprojecties.
Field reageert op deze constatering als door een adder gebeten. “Dat geldt misschien voor enkele gevallen maar pertinent niet voor bijvoorbeeld Pierre Henry, van wie we een compositie op 'The man with the camera' van Dzjiga Vertov presenteren. Bij hem gaan bewegende beelden en muziek verbindingen aan waardoor je iets totaal nieuws ondergaat. Je zou het een synergetische ervaring kunnen noemen. Henry maakt iets dat het midden houdt tussen muziek voor de ogen en film voor de oren.”
Wat kinderachtig tenslotte lijkt het media-lab in het Pathé-complex. Festivalbezoekers kunnen daar naar hartelust snuffelen aan websites, cd-roms, en video's. Bovendien kunnen ze onder deskundige leiding met die media interactieve producties maken. Aan het eind van het festival zullen die 'lifesavers' op de website van het festival gepresenteerd worden.
Het wekt de indruk van gefröbel met de nieuwe media. Field is het daar absoluut niet mee eens “Ook de eerste film-experimenten van Edison en de gebroeders Lumière waren nog heel naïef. Hetzelfde geldt voor de eerste video-experimenten. Toch heeft dat aandoenlijke gepruts uiteindelijk twee volwaardige kunsten opgeleverd. “Datzelfde zal met de interactieve media gebeuren. Over honderd jaar zullen de Greenaways en Markers van dan interactieve meesterwerken maken, die dan even hoog in aanzien zullen staan als de beste verhalende artistieke films van nu.”
“Het media-lab”, besluit Field, “biedt de festivalbezoekers een blik in de kraamkamer van een nieuwe visuele kunst. En is het niet leuk, dat dit gebeurt in het Pathé-multiplex waarin, ook tijdens het festival, de goede oude verhalende cinema de boventoon voert?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.