Waar was de VVD-fractie toen de christelijke partijen vorige week minister Borst ondervroegen over haar standpunt inzake de toelaatbaarheid van abortus? Dat de PvdA en D66 zwegen is al niet terecht, het gaat immers om de uitvoering van een wet, die éénmaal aangenomen ook door andere democratische partijen gerespecteerd behoord te worden. Maar de VVD was in 1981 medeverantwoordelijk voor het indienen en aannemen van deze wet. Zij is verantwoordelijk voor een wet die eist dat er sprake is van een noodsituatie wil abortus straffeloos blijven.
Het CDA heeft toen uitdrukkelijk te kennen gegeven dat deze wet niet overeen kwam met zijn eigen morele opvattingen - het stond op het 'nee-tenzij' standpunt - maar dat het ter wille van de rechtsstaat, die het leven beschermt, bereid was dit compromis te sluiten. Maar ook de VVD, met name in de Eerste Kamer, was niet vóór een ongeclausuleerd vrije abortus, zij stond op het 'ja-mits' standpunt. Beide standpunten zijn verenigd in het vereiste van een noodsituatie, vast te stellen door vrouw en arts.
Terecht bindt het CDA de kat de bel aan als abortus in feite een beslissing van de vrouw blijkt te zijn geworden, waarbij het begrip 'noodsituatie' niet meer als een zelfstandig criterium geldt, maar afgeleid wordt uit het loutere verzoek om abortus alleen. Had het niet tot de politieke verantwoordelijkheid van de VVD behoord om zich in het vraaggesprek met de minister te mengen? Had zich niet een Kamermeerderheid behoren te tonen die op vervolging door justitie van de artsen in kwestie aandrong? Me dunkt van wel. Nu is de vreemde situatie gerezen dat één van de partijen die het compromis sloten, met afzien van de aanvankelijke eigen inbreng in het compropmnis, in de Kamer op de handhaving van het gehele compromis - dus inclusief het VVD-deel daarvan - aandringt. De VVD onttrekt zich hier aan haar verantwoordelijkheid.
Deze inzet - het gehele compromis en niet de christelijke morele opvatting inzake abortus - was ook het criterium waarop Trouw, het enige christelijke landelijke dagblad dat er is, zijn redactionele commentaar baseerde. Dat leidt tot de merkwaardige situatie dat de christelijke deelname aan het maatschappelijke debat - voorzover die er nog is, de protestantse kerken hadden het te druk met hun ordinanties - niet gebaseerd wordt op een heldere christelijke stellingname. Ik vraag mij af hoe lang christenen die compromissoire positie moeten blijven betrekken, als van de andersdenkende partijen geen loyaliteit aan de compromissen meer te verwachten valt. Als de liberale meerderheid in het parlement niet meer bereid is rekening te houden met de opvattingen van de minderheid door de met deze minderheid gesloten compromissen voor zijn rekening te blijven nemen, dan wordt ten diepste de eenheid van de rechtsstaat op het spel gezet. Waarom zou de minderheid immers de meerderheid nog blijven aanvaarden als haar opvattingen geen respect meer waard blijken te zijn? Aan het gedrag van de meerderheid kan zij die plicht dan niet meer ontlenen, zij is daartoe louter aangewezen op morele motieven in de eigen politieke overtuiging.
Tot de jaren '60 domineerden de christelijke partijen. Daarna braken dertig jaren aan waarin zij en in het bijzonder het CDA hebben gepoogd het doorbrekende liberale denken te remmen. Sinds 1994 is een nieuwe fase aangebroken, waarin de liberalen hun opvattingen aan de christelijke minderheid opleggen. Dat vergt een hernieuwde positiebepaling voor de christelijke politiek. Met name voor de in het CDA verenigde christenen kan dat nooit de getuigenis-rol zijn, waar de kleine christelijke partijen voor kiezen. De christen-democratische politieke overtuiging verzet zich daar op goede gronden tegen. Maar wèl is een scherpe positiekeuze op grond van de eigen christelijke moraal geboden. De VVD mag in maart bij het volgende debat over de evaluatie van de abortuswet niet meer zo gemakkelijk wegkomen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.