T/m 2 maart, NAi, Museumpark 25, Rotterdam, di t/m za 10-17 uur, zo- en feestdagen 11-17 uur. Catalogus 65 gulden.
Bij het betreden van de Grote Zaal van het NAi is er ineens een déjà vu. Die inrichting. Al die aan school gerelateerde artikelen, die in grote hoeveelheden uitgestald het behang van de tentoonstelling vormen. Het is allemaal al eens eerder gedaan in de expositie 'The Physical Self' die in 1991 in het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen was te zien. Het concept van die tentoonstelling was van de cineast/kunstenaar Peter Greenaway en draaide om de verbeelding van het menselijk lichaam. Greenaway putte uit de collectie van het Boijmans en voegde daar honderden aan het lichaam gerelateerde artefacten (handschoenen, kleding, schoenen) als decor aan toe.
De vormgever was toen Ben van Os, vaste set-decorateur bij Greenaway, en de vormgever in het NAi is nu opnieuw Ben van Os. Emotie is het sleutelwoord dat beide tentoonstellingen met elkaar verbindt. Door emotioneel beladen objecten (afgeragde schooltassen, stukgelopen schoenen, volgekrabbelde schoolagenda's) in grote hoeveelheden te gebruiken als tentoonstellingsmateriaal, voelt de kijker zich als vanzelf in een warm bad. Hij of zij kan zich, in het geval van het NAi, wentelen in de warme schoolherinneringen. De daarnaast geëxposeerde lesmaterialen en foto's uit de oude doos doen vervolgens de rest.
Er is echter ook een keerzijde aan het inrichtingsmodel: de kilte van de herinnering. Dezelfde spullen kunnen ook de pijnlijke momenten weer bovenhalen. Het kan ook afschrikwekkend werken. En dan komt de inrichting van het Holocaust Museum in Washington in gedachten, waar stapels brillen, kleren, schoenen en foto's het verschrikkelijke effect van de concentratiekampen naar een menselijke maat terugbrengen en daardoor nog indringender maken. School is natuurlijk geen concentratiekamp, maar voor velen was de schoolervaring niet louter de romantische tijd zoals hij in het NAi wordt voorgeschoteld.
Geraffineerd
De inrichting van 'Nederland naar School' is geraffineerd en emotioneel effectief. Je bekijkt de tentoonstelling niet, maar ondergaat haar. Het is een verademing na de 'droge' exposities die het NAi eerder maakte. Het nadeel is dat de essentie van de tentoonstelling wat op de achtergrond raakt. Bijna en passant worden we geïnformeerd over de ontwikkeling van de schoolarchitectuur. En we zijn tenslotte in het NAi. De enige plek waar het gebeurt, is in de twaalf kabinetten in het centrum van de ruimte. En dan nog alleen op de buitenwanden ervan. Binnenin de hokken glorieert de sfeer van het onderwijs in de periodes 1800-1850, 1850-1900, 1900-1950 en 1950-2000. Daar komen we de Fröbel-methode, het leesplankje Aap-Noot-Mies, sfeerfoto's uit de verschillende periodes, moderne leerboekjes en gedichten en stukken proza van literatoren over hun schooltijd tegen. Allemaal flarden geschiedenis ter illustratie van twee eeuwen naar school gaan.
Op de buitenwanden dan eindelijk de gebouwen, begeleid door korte teksten. Aan het begin van de 19de eeuw voldoet zo'n beetje iedere ruimte als school. Kapel, schuur of zolder. In de tweede helft ontstaan de statige, mastodontische gebouwen. De school gaat zich als instituut laten gelden. Tussen 1900 en 1950 sijpelt het modernisme in de architectuur ook door naar de schoolbouw. De schoonheid en harmonie van de gebouwen moeten een louterende en inspirerende omgeving voor de leerlingen zijn. Na de Tweede Wereldoorlog komt er niet alleen een bouw-hausse in de onderwijswereld (er is veel verwoest) er moeten ook grotere scholen worden ontworpen, doordat de maatschappij emancipeert, meer mensen toegang krijgen tot het onderwijs, er een geboortegolf komt en nieuwe schoolmethodes ingang vinden. Dit leidt tot nieuwe schooltypes, waarbij het model licht en luchtig heel populair is. Waar vroeger één rij leslokalen aan een gang lag, kunnen dat er nu ook twee zijn.
Dit is in feite het architectonische verhaal dat wordt verteld. Aangehaalde voorbeelden zijn onder meer scholen van Vermeijs (Rijks-HBS Utrecht, 1866), Vrijman (Eerste Gymnasium Den Haag, 1907), Duiker (Openluchtschool Amsterdam, 1930), Dudok (de Hilversumse scholen, 1910-30), Oud (Christelijk Lyceum Den Haag, 1956) en Hertzberger (Apolloschool Amsterdam, 1982). Ze trekken op tekeningen en foto's voorbij, bijna als voetnoot bij de zaalteksten. Met de voorbeelden in de tentoonstelling scheren we over het landschap van twee eeuwen schoolarchitectuur, maar we landen slechts zelden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.