*

 
dossier

Archief

KWAADAARDIG (4)

JOS TEMMINK − 31/01/96, 00:00

Op een januaridag in 1993 bevestigde de arts haar angstige vermoeden: Jos Temmink heeft kanker. Er volgden onderzoeken, ziekenhuisopnamen en operaties. Jos Temmink hield een dagboek bij van haar dagen van hoop en vrees. In de rubriek 'Kwaadaardig' staan fragmenten uit dit persoonlijke verslag. Deel 4.

“We staan achter je, wat je ook beslist.”

Hoe onzelfzuchtig, hoe moedig.

In razendsnel tempo opent zich een geheel nieuwe wereld voor me. Bijna dagelijks ga ik naar het AVL. De tumor in de nek, in Heemstede voor drie kwart weggehaald, is terrein aan het terugwinnen. Uitzaaiingen, metastasen, zeggen de artsen, van een onbekende primaire. Honderden vragen heb ik gesteld. Behalve die ene “hoe lang heb ik nog?”.

Die oudste griet van me, zit zeer assertief naast me. Vraagt zakelijk om uitleg. Háár manier om haar emoties in toom te houden. Ik wil mijn overlevingskansen weten. Maar mag dit mijn dochter nog niet aandoen. Even nog niet. Even alles maar doseren. De pijn van afscheid zal nog groot genoeg worden. Nu is zij even belangrijker. Niet dat woekerende lichaam van haar moeder.

Ik lig onder de ct-scan. Het apparaat draait oorverdovend om mij heen. En registreert de millimeters van mijn binnenste. Ongelooflijk! Ik zie de foto's hangen, de doorsnee van mijn nek, de holtes in mijn gezicht. Daar ergens zit 'mijn man met de sikkel'.

Zal het tastbaar worden? Zichtbaar? Ik lig roerloos op een te smal bed. Mijn linkerarm, waarin een infuus die radioactieve stof in mijn aderen pompt om goed en slecht te kunnen onderscheiden, hangt hulpeloos neer. Ik kan er geen steun voor vinden, maar moet onbeweeglijk blijven liggen. De gestagneerde bloedsomloop geeft duizenden prikkels in armen en benen. Een kriebelhoest kan ik ternauwernood onderdrukken.

Achter het glas hoor ik de stemmen van de radioloog en de assistenten. Mij via een intercom aanwijzingen gevend. Waarom is me onduidelijk, immers, ik kan niets. Heb geen invloed op de gebeurtenissen en moet met me laten doen.

Het bed beweegt met schokjes op en neer. Ik ga de klikken tellen, 51, 52, 53. Het groene en rode lichtje boven mij in de tunnel waarin ik lig houden me bij de les, 54, 55 . . .

Ik voel me zo alleen in dit centrifuge-achtige apparaat. Krijg last van claustrofobie. Buiten, in de wachtkamer, weet ik mijn twee meiden. Liefdevol, maar net zo angstig als ik. Ik heb ze nodig. Zoals zij mij nodig hebben.

10 FEBRUARI 1993

Ik ben bang, angstig, gespannen. Nog even, als het licht wordt, dan gaan we naar het AVL. Dan wordt er een stuk van mijn lijf weggesneden. “So, what?” houd ik mezelf voor. Er blijft nog genoeg over.

Wie zegt er dat ik nu al de pijp uitga? Nou mooi niet!

mailIcon print |