*

 
dossier

Archief

'Gun Congo voordeel van de twijfel'

ESTHER BOOTSMA − 08/10/97, 00:00

AMSTERDAM - Alleen de twaalf buitenlandse medewerkers van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR hebben Oost-Congo de afgelopen dagen moeten verlaten. In tegenstelling tot eerdere berichten kregen alle andere hulporganisaties gisteren te horen dat ze gewoon mogen blijven.

Samen met andere hulpverleners werd coördinator Frank de Jonge van Artsen zonder Grenzen gisterochtend ontboden bij de gouverneur van Goma in de provincie Noord-Kivu. “Tot onze verrassing had hij maar een paar minuten nodig. Hij vroeg ons alsjeblieft te blijven en door te gaan met ons werk”, vertelt De Jonge telefonisch vanuit Goma.

Ook het Rode Kruis en de VN-organisaties als Unicef en WFP kunnen blijven. Alleen tussen de UNHCR en de regering botert het niet. Doordat in Rwanda de bevolking de dupe wordt van opgelaaide gevechten tussen leger en Hutu-milities, dreigt opnieuw een uittocht van Rwandezen naar Congo. “Dat willen de Congolese autoriteiten koste wat kost verhinderen. Ze hebben daarom de grens gesloten en de UNHCR weggestuurd, uit vrees dat de organisatie een nieuw vluchtelingenkamp zou inrichten. Dat zouden de Hutu's immers als een uitnodigend gebaar kunnen beschouwen”, zegt De Jonge.

Bovendien is de UNHCR toch al niet de favoriete club van Congo, omdat ze van 1994 tot 1996 heeft toegestaan dat Hutu-milities zich herbewapenden in de kampen in het toenmalige Oost-Zaïre. Afgelopen maand liepen de irritaties weer eens hoog op, toen de UNHCR kritiek had op de uitzetting van 700 Hutu-vluchtelingen. Die waren zonder pardon op het vliegtuig naar de Rwandese hoofdstad Kigali gezet, waar velen meteen doorgingen naar de gevangenis.

Volgens De Jonge is één ding duidelijk: de Congolese regering wil volledig af van het Rwandese probleem dat op haar bodem wordt uitgevochten. Overal in Oost-Congo zwerven nog gewapende groepen Hutu-extremisten rond. “Af en toe komen ze uit de jungle om vrouwen te verkrachten en geld en voedsel te stelen. Bij overvallen op auto's schieten ze inzittenden meteen dood. Het zijn grove bandieten.”

Maar niet alleen de Hutu's zaaien dood en verderf, ook andere etnische groepen zorgen al maanden voor onrust in Oost-Congo. Vooral in de streek Masisi is op grote schaal geweld gepleegd door de zogeheten mai-mai, een primitieve groep krijgers, die samen met Hutu-milities tegen het regeringsleger vochten. “Althans, dat is één verhaal”, zegt De Jonge. “Elders zouden de mai-mai en het leger juist sámen hebben gevochten tegen Rwandese Tutsi-soldaten. En onlangs zijn zelfs 800 mai-mai geïntegreerd in het leger.”

In Zuid-Kivu vechten Babembe tegen Banyamulenge, in het leger vechten Katangezen (streekgenoten van president Kabila) tegen Tutsi-soldaten. Vaak is de situatie volstrekt onduidelijk, maar volgens De Jonge is één ding zeker: “Het zijn Congolezen tegen Rwandezen. Voor ons is dat moeilijk te begrijpen, omdat Kabila in de hoofdstad nog steeds wordt omringd door Rwandese adviseurs en hoge militairen. Maar ik vraag me af hoe lang dat nog goed gaat, want overal elders proberen de Congolezen de Rwandezen het land uit te zetten.”

Arrogantie

De tienduizenden Tutsi-soldaten worden dan ook niet langer geduld in Oost-Congo. “Ze hebben wel geholpen Mobutu te verdrijven, maar nu moeten ze weg. Alle Congolezen hebben een hekel aan de arrogantie van de Rwandese militairen”, zegt De Jonge. Ze zien hen niet meer als bevrijders maar als bezetters.

In de hoofdstad Kinshasa gaan geruchten dat de Rwandezen grote sommen geld zijn beloofd om Mobutu te verjagen. Maar omdat ze niets zouden hebben gekregen, zijn ze in Oost-Congo aan het plunderen geslagen. Volgens een hulpverlener banen ze zich schietend en stelend een weg terug naar Rwanda. “Ik heb de indruk dat de meesten inmiddels terug zijn in hun eigen land”, zegt De Jonge. “In Goma is geen enkele Rwandees meer; de laatste groep zit in Bukavu waar momenteel nog flink gevochten wordt.”

Volgens sommige waarnemers heeft Kabila grote moeite om zonder de Rwandezen een goed leger op te bouwen, met zoveel stammen en ex-soldaten van Mobutu, maar volgens De Jonge maakt het leger in Goma een georganiseerde indruk. “Het gaat elke week beter. Ze hebben geen geld, geen auto's en vrachtwagens, maar er is bijvoorbeeld een goede militaire politie opgericht met afwijkende uniformen. Een dergelijke controle op het leger kenden ze hier vroeger niet.”

Ook in de hoofdstad Kinshasa is de veiligheid met sprongen toegenomen sinds de val van Mobutu. De politie treedt hard op tegen dieven, en er zijn geen corrupte militairen en politiebeambten meer die de bevolking telkens geld afpersen.

“Ik ben geneigd de ontwikkelingen in Congo positief te bekijken”, zegt De Jonge. “Gun de Congolezen het voordeel van de twijfel. Ze willen helemaal opnieuw beginnen en alles reorganiseren. Als ze een groep Hutu's vinden, sturen ze militairen die het geweer richten en zeggen: 'Jongens, lopen!' Dat is niet helemaal naar westerse maatstaven, maar wel begrijpelijk. Ze willen gewoon van alle niet-Congolezen af.”

mailIcon print |