*

 
dossier

Archief

Liszt-winnaar Roma doorgrondt bitse kanten in Beethoven

CHRISTO LELIE − 21/01/97, 00:00

Herhaling: vanavond Groningen (Oosterpoort, 20.15 uur), 21 jan. Den Haag (Philipszaal, 20.15 uur), 22 jan. Houten (Raadszaal, 20.15 uur) en 26 jan. Eindhoven (Frits Philips Muziekcentrum, 14.15 uur).

Deze week is Igor Roma opnieuw in Nederland voor een tournee langs zeven steden. Zondagavond speelde hij in het Chassé Theater te Breda. Zijn Utrechtse triomf bleek nog onvoldoende doorgedrongen beneden de Moerdijk, want de VSB-zaal van dit prachtige theater was nog niet voor een kwart gevuld.

Roma's recital stond aangekondigd als een prijswinnaarsconcert van het Liszt-concours. In dat licht was het jammer dat Roma niet een geheel uit Liszt bestaand programma speelde. Hopelijk wil hij niet nu al van het Liszt-imago afstappen. Wat hij in het concours met de muziek van deze componist wist te doen, was immers dermate bijzonder, dat deze Italiaanse pianist zich wat mij betreft voorlopig nog als Liszt-specialist mag profileren; echt goede Liszt-spelers zijn er namelijk maar zo weinig.

Ook zondag was Roma's Liszt-spel weer subliem. De 'Dante-sonate' beleefde een overdonderende weergave, met een ongekende veelheid aan stemmingen die Dantes visioenen van hel en hemel bijna visualiseerden.

Een van de sterke kanten van Roma's vertolking van de fantasierijke muziek van Franz Liszt is dat hij er buitengewoon goed in slaagt de structuur te laten horen door consequenties in tempo en maat, intelligent opgebouwde crescendo's en diminuendo's, logische verhoudingen en door een absolute greep op de materie.

Wat dat betreft was te verwachten dat sonates van Ludwig van Beethoven, waarin proportie en vorm nog wezenlijker bestanddelen zijn, hem uitstekend liggen. Inderdaad was zijn vertolking van de Sonate in C, opus 10 nr. 3, weergaloos, met een messcherpe karakterisering van de thema's en een prachtige ritmische hechtheid. Zijn toonvorming was hierin echt Beethoveniaans, soms zelfs bits en niet primair gericht op klankschoonheid, maar tegelijk vaak ook zeer gevarieerd.

Vooral in de twee middendelen leidde dit tot ronduit spectaculaire instrumentale effecten, alsof Roma uit de vrij schelle Fazioli-vleugel instrumentgroepen van een compleet symfonie-orkest wist te toveren.

Roma's programma in de tweede helft van zijn recital met twaalf kortere composities van Skrjabin en Rachmaninov leek mij niet zo gelukkig gekozen, ook al betrof dit werken die in de concertzaal relatief weinig tot klinken worden gebracht. Dat hij al die moeilijke noten van deze Russische pianovirtuozen feilloos kon realiseren, spreekt voor zich bij een pianist van Roma's kaliber. Om dat te bewijzen hoeft hij zulke stukken niet te spelen, vooral als blijkt dat zijn temperament om een andere stijl vraagt. Roma is namelijk geen behaagziek pianist die het zoekt in zwier, raffinement of schmieren. Hij moet het veel meer van muzikale inhoud hebben.

Zeker in de Zes preludes, opus 13 van Alexander Skrjabin is er wat dat betreft niet zoveel te beleven; deze preludes behoren namelijk niet tot het meest karakteristieke van Skrjabins piano-oeuvre. Pianistisch meer te beleven viel er in Rachmaninovs 'Moments musicaux', opus 16. Ook voor deze volgrepige muziek draaide Igor Roma zijn hand niet om. Toch was ook hier de indruk dat dit niet de ideale stukken zijn voor Igor Roma's bijzondere talent.

mailIcon print |