*

 
dossier

Archief

'Discussie nodig over draagmoederschap'

GONNY TEN HAAFT − 23/03/95, 00:00

UTRECHT - Wat betekent het voor een kind om te worden weggegeven? Kan een kind dat nog regelmatig contact met zijn draagmoeder heeft, daar later 'last' van krijgen? Hoe groot is de kans dat een draagmoeder het jaren later moeilijk krijgt omdat zij het kind dat in háár buik groot werd, afstond aan een ander?

Moeilijke vragen, waarop eigenlijk niemand het antwoord weet. Ook mr. A. C. Quik-Schuijt, kinderrechter te Utrecht, niet. Maar juist daarom, zegt Quik, zou zij graag zien dat “de maatschappelijke discussie over het draagmoederschap in Nederland eindelijk eens op gang komt”. En daarom alleen al is zij blij dat het D66-Kamerlid Dittrich vorige week vragen over het draagmoederschap aan staatssecretaris Schmitz van justitie heeft gesteld.

Zelf schreef Quik in 1993 voor haar collega's een eerste discussiestuk over dit onderwerp, waarin zij aandacht vraagt voor de ongemerkt gegroeide praktijk dat rechters iets doen 'dat tegen de wet is'. Formeel is er namelijk geen wet die het draagmoederschap goed regelt, zodat rechters min of meer gedwongen worden een oordeel uit te spreken dat niet met de werkelijkheid strookt. “Een draagmoeder die het kind aan de wensouders wil afstaan, moet eerst ontheffing vragen van het ouderlijk gezag. In Nederland kan zo'n ontheffing alleen op twee gronden gegeven worden, namelijk 'onmacht' en 'ongeschiktheid'. Bij draagmoeders is van deze gronden vrijwel nooit sprake; vrouwen die uit ideële overwegingen een kind voor een ander baren, zijn wel degelijk in staat een kind op te voeden.”

Zelf heeft Quik drie keer meegemaakt dat haar gevraagd werd ten behoeve van zo'n juridische overdracht ontheffing te verlenen. Volgens de wet kan alleen de Raad voor de Kinderbescherming zo'n ontheffing namens de ouders aanvragen. “In Nederland kan niemand zomaar van zijn kind af; geen enkele ouder kan zelf vragen het gezag over zijn kind kwijt te raken”, licht Quik toe.

In het geval van een draagmoederschap vraagt dus de Raad voor de Kinderbescherming ontheffing aan op grond van de al genoemde onmacht en ongeschiktheid. Bij de eerste twee zaken van Quik gebeurde dit inderdaad ook zo, maar in de derde zaak stond geen van beide gronden in het verzoekschrift genoemd. “Toen ging de Raad er, omdat het om een niet-commercieel draagmoederschap ging, bijna automatisch van uit dat ik de onthefffing zou verlenen. In dit verzoek van de Raad werd niet eens meer gesteld dat de ouders ongeschikt waren: tóen dacht ik 'nu moet ik het haast wel afwijzen'.”

Toch streek zij, naar haar zeggen voor de allerlaatste keer, de hand over het hart. In een gesprek met de draag- en wensmoeder, in dit geval twee zusjes, bleek namelijk al gauw dat deze nooit anders hadden gehoord dan dat de wensmoeder de juridische rechten gemakkelijk zou kunnen krijgen.

“Het kind was er al en ik wilde hen niet de dupe van een verkeerde voorlichting laten worden. Zij hadden van de Raad voor de Kinderbescherming gehoord 'dan gaat het zus en zo en vervolgens spreekt de rechter de ontheffing uit'. Tóen ging bij mij een lampje branden; op zo'n manier wordt draagmoederschap een soort formaliteit, waarbij de rechter niet eens meer de kans krijgt anders te beslissen.”

Quik herinnert zich nog goed de verbazing van de zusjes toen zij hen vertelde dat ze serieus had overwogen hun verzoek niet te honoreren. “Maar toen ik hen uitlegde waarom, gaven ze me helemaal gelijk. Ook zij vonden dat er van onmacht of ongeschiktheid helemaal geen sprake was en erkenden direct dat het 'draagechtpaar' het kind heel goed zou kunnen grootbrengen.”

Gesterkt door deze reactie van de ouders, besloot Quik geen draagmoederzaken meer te behandelen zolang een wettelijke regeling ontbreekt. Dit was begin 1993. Daarna heeft zij geen verzoeken tot ontheffing meer gekregen. Totaal hebben de Nederlandse rechters, bleek uit een enquête die naar aanleiding van Quik's discussienota plaatsvond, in de afgelopen jaren zo'n 30 draagmoederzaken behandeld. “Zelf had ik er drie, maar er zijn ook rechtbanken die geen enkel verzoek hebben gehad. Eén collega maakte melding van vier zaken, waarvan drie kinderen bij één en dezelfde draagmoeder.”

Voor zover Quik weet, zijn bijna al deze verzoeken door de rechter gehonoreerd. Zij noemt dit ook begrijpelijk, omdat het per rechtbank om incidentele gevallen gaat, die bovendien 'voorgekookt' zijn. “Als rechter weet je dat alle betrokkenen er op rekenen dat het zo kan en je weet meestal ook dat het kind al bij de wensouders woont. Elke keer denk je 'het is er maar één, dus laat ik het maar doen', maar ongemerkt wordt zo wèl een trend gezet.”

Quik hecht eraan te benadrukken niet “a priori tegen het draagmoederschap te zijn”. Wèl vindt zij het niet in de haak dat, zoals nu gebeurt, de rechterlijke macht beslissingen neemt over verschijnselen waarover de maatschappelijke discussie in feite nog moet beginnen.

“Natuurlijk gebeurt het wel eens, héél incidenteel, dat rechters de wet een beetje oprekken. Dit kan echter alleen onder de voorwaarde van een brede consensus in de maatschappij, zoals bij het toewijzen van echtscheidingen in de jaren '70 wel gebeurde. Scheiden was toen langzamerhand algemeen geaccepteerd, maar volgens de wet was overspel vrijwel de enige grond. Toen hebben heel veel rechters een oogje dichtgedaan, omdat de maatschappij daar rijp voor was. Maar is de huidige maatschappij rijp voor het draagmoederschap?”

Quik zelf vindt in ieder geval van niet, daarvoor liggen nog te veel vragen open. Als kinderrechter ziet zij veel adoptie- en pleegkinderen die worstelen met hun afkomst, of die zich op de een of andere manier onzeker voelen omdat ze niet door hun eigen ouders worden opgevoed. Niet dat ze de 'draagmoeder-kinderen' nou onmiddellijk met dit soort kinderen wil vergelijken, maar toch kan ook rond het draagmoederschap veel misgaan. “Wat gebeurt er als de relatie van de wensouders nog voor de geboorte 'klapt'? Hoe reageren de wensouders als de baby met een handicap of ernstige ziekte wordt geboren? Kan een draagmoeder het kind inderdaad zo gemakkelijk afstaan?

De Utrechtse kinderrechter vindt deze vragen des te belangrijker omdat een draagmoederkind, per definitie, heel bewust op de wereld wordt gezet. “We hebben al zoveel kinderen met problemen om ons heen. Moeten we dan ook nog kinderen gaan maken terwijl we weten dat de kans bestaat dat het misgaat?”

Soms heeft zij het gevoel dat de steeds sterker wordende lobby van de ongewild kinderlozen te ver doorschiet. Een tegenlobby van pedagogen, kinderpsychologen en -psychiaters en -rechters zou zij graag helpen stimuleren.

“We hebben nog geen draagmoederkinderen die 25 of 30 jaar geleden zijn verwekt; de kinderen die we kennen, zijn nog te jong om hun stem te laten horen. Soms komen de consequenties van een beslissing pas jaren later boven. Het zou best kunnen zijn dat een draagmoederkind psychisch in de war raakt op het moment dat hij of zij zelf kinderen zal krijgen.”

Maar wat gebeurt er in de tussentijd? Stel dat alle rechters de komende tijd geen ontheffing meer verlenen?

“Eigenlijk verandert dat heel weinig”, antwoordt Quik, “in Nederland mag elke baby van zes maanden en ouder door Jan en alleman opgevoed worden. De enige voorwaarde is dat het gezag bij de ouders blijft berusten, maar ook dat is geen probleem, want in het 'gewone' maatschappelijk leven wordt daar door niemand naar gevraagd.”

Alleen bij het aanvragen van een paspoort gebeurt dit wel, maar als de juridische ouder onder deze aanvraag een handtekening zet, is ook dat probleem de wereld uit. Anderzijds laten kinderloze paren die overwegen een draagmoeder te zoeken, zich waarschijnlijk wel afschrikken als zij weten dat het juridisch moeilijk ligt.

“Mensen willen nu eenmaal graag een kind voor zichzelf en dan moet het ook juridisch van hen zijn. Juist dat hebberige doet mij wel eens twijfelen: als ze het kind zó graag van zich zelf willen, vraag ik me af of ze er op den duur wel goed mee kunnen omgaan dat het een kind is dat door een ander is gedragen.”

mailIcon print |