*

 
dossier

Archief

Het nederige meedingen naar een preektrofee

PIETER VAN DER VEN − 04/01/97, 00:00

Aan de eerste keer het woord doen in het midden van de gemeente kleven onuitwisbare herinneringen - van hoogverheven, geestelijke aard of van zeer menselijke, fysieke. Toen mijn eerste beurt naderde zei een collega bemoedigend dat hijzelf op die bewuste dag vijf keer had moeten overgeven.

Dat leek me niks voor mij, maar ik wachtte af hoe het mij zou vergaan als ik voor het eerst voor toch wel zo'n vijfhonderd mensen, die beter gewend waren, iets zou mogen/ moeten zeggen. De maag bleef in orde, maar er gebeurde iets anders. De nacht tevoren droomde ik dat ik een preek moest houden. Ik had het goed voorbereid, alles uitgeschreven. Terwijl ik de vier treetjes naar de microfoon nam fluisterde iemand me toe: “Het moet in het Duits!” Een gewone nachtmerrie of een vrees en beven voor wat in wezen onmogelijk is: preken?

Faalangst, ijdeltuiterij, de ijver om er iets van te maken, het als prediker geliefd en gevierd zijn. In zwaar-bevindelijke kring, maar ook elders ('ex opere operato') ziet een predikant zichzelf, theologisch, als een 'ledig vat', dat zich voor de Heere werpt en van Hemzelve geleerd en gevuld de Woorden van de Boodschap over de gelovigen uitstort. Maar dat 'ledige vat' is allerminst leeg, zit juist vol gevoelens, als verdwazing, onzekerheid, eerzucht, jaloezie. Hoe gecompliceerd dat mengsel is blijkt wel uit de tegenstrijdige reacties van Trouw-lezers op het lanceren van de wedstrijd voor de 'beste preek van 1996'.

Tal van brieven hekelen het plan, hopen dat Trouw dit onzalige idee laat varen en de wedstrijd annuleert. Anderen betogen met klem het omgekeerde; tientallen meldden zich al als potentiële deelnemer. Onder voor- en tegenstanders professoren van naam en faam, handarbeiders van het Woord en mensen die van zondag tot zondag alleen maar horen - en er het hunne van vinden.

Is een preek te verheven voor een wedstrijd? Weliswaar gaat het maar om een bescheiden prijsje, maar het is gloria mundi die wordt uitgeloofd, niet de ere Gods, zoals toch de bedoeling is. Of is het gewoon een gewoon vak, waar de een meer bekwaamheid in verwerft dan een ander, door meer talent of door meer inspanning. Misschien lijkt het wel op de bekwaamheid van de kunstenaar, de schilder of de componist, een die héél knap is, alom gelauwerd, naar ze zeggen de beste, maar ìk wil hem niet - geef mij maar dat onbeholpen stilleven of ijl gregoriaans. Wat is een kunstprijs nu helemaal?

Jammer genoeg hebben enkele tegenstanders van de bewuste prijsvraag het begrip ijdelheid ingebracht. Eventuele mededingers zouden gedreven worden door een hoogmoed die een dienaar des Woords niet past. Aldus voeren ze voorbarig een morele categorie in. Ik opper het tegendeel: meedingen is een oefening in nederigheid. De kans is namelijk heel groot dat u niet wint, dat een ander met de 'eer' gaat strijken. Dat is tot daaraantoe, maar nog erger is dat een aantal mensen zonder aanzien des persoons en zonder de eerbied die de ecclesia aan haar dienaar in het ambt verschuldigd is het 'product' bekijkt.

Het getuigt dunkt me niet van hoogmoed, maar wel van een zeker zelfvertrouwen, wanneer iemand zijn of haar preek voor de variatie eens uitlevert aan die kritische buitenstaanders. Zullen dezen een godsoordeel vellen over de woorden die u aan uw gemeente hebt 'mogen doorgeven'? Welnee, een preek heeft altijd wel meer en andere lagen dan een jury peilt. Sterker: elke predikant(e) weet dat een toehoorder wel eens in het hart is getroffen door een woord waarvan de spreker zou zweren dat hij het nooit (zo) heeft gezegd en zeker niet bedoeld als de kern van het betoog. Of collectiever: een preek kan in de gemeente een voltreffer zijn op het juiste moment en toch voor de borstrok van die vervelende jury blijven hangen. Dat maakt de voltreffer geenszins tot losse flodder.

Sommigen willen meteen de preek wegspiritualiseren uit de handen met een ontleedmes erin. Voor bepaalde sectoren is het goed te begrijpen: hoe meer een preek is toegesneden op een zeer bepaalde groep, met eigen geheimtaal en verwachtingspatroon, des te minder geschikt voor een open prijsvraag. Dat geldt voor de vrome, associatieve, hak-op-de-tak woordenbrij van de oud-gereformeerde oefenaar, maar ook voor het warme preekje bij huwelijk of uitvaart. Het is ook zeer legitiem om helemaal gericht te zijn op de kleine kudde van trouwe hoorders en lak te hebben aan de afwezigen.

Maar het kàn ook anders. Je kunt betreuren dat zoveel oren niet (meer) horen; je kunt oprecht en in bescheidenheid menen dat de wegblijvers iets missen dat voor hen de moeite waard is. Realiteitszin en nederigheid doen je beseffen dat veel gemeenteleden zich eigenwijs en ietwat overspelig op de geestelijke markt bewegen, dat hun trouw dus niet gegarandeerd is. Je kunt vinden dat de kwaliteit van een preek onvoldoende is indien er tegen het licht van de wereld geen korfje brood van overblijft.

Natuurlijk is de beste preek die dankzij welke één zondaar zich bekeert of 99 rechtvaardigen tot barmhartige Samaritanen worden en natuurlijk kan geen aardse jury dat vaststellen. Maar ze kunnen wel zeggen: mevrouw, meneer, uw preek is een omgevallen boekenkast, kabbelt op en neer tussen vrome en modieuze cliché's, is een logisch rammelend betoog, etaleert taalarmoe of alleen maar bolle retoriek, is rationalistisch of infantiliserend, te onpersoonlijk, te ikkerig, trapt in zachte boter, ontbeert elementen van spanning, verrassing en humor enzovoorts.

De beoordelaars kunnen dus heel wat en dus moeten ze dat ook. Een prijs uitreiken is makkelijk genoeg, maar iedere inzender heeft recht op een summiere beoordeling, niet alleen de winnaar(s). Pas dan draagt een wedstrijd echt bij aan de kwaliteit van de prediking (en aan het ongelijk van degenen die deze gewijde parel onder de kunsten van overdracht en communicatie gering achten).

Niet lang geleden klaagde een liturgie-professor in Trouw dat jonge pastores al heel gauw na hun opleiding denken op het gebied van prediking en liturgie volleerd te zijn. Een illustratie daarvan gaf onlangs een kandidaat-predikant die al op de Podium-pagina betoogde dat een preekwedstrijd beneden de waardigheid van elke predikant is. Je zult als gemeente per ongeluk zo'n blaag beroepen.

Laat voor- en tegenstanders van preekprijzen elkaar gerust bestoken - het is ook al mooi als voortaan elke preek zo goed is dat de jury die eervol had vermeld, ware de prediker zo ijdel geweest hem in te sturen. Maar ieder die daarvoor ijdel genoeg (of te ijdel) is mag zich verkneukelen in het vooruitzicht dat de hamvraag van de beste preek uiteindelijk neerkomt op die jury met zijn vijf hoofden en vijf zinnen. Zij wikken en wegen, maar geven daarmee ook eigen vooroordelen prijs. Hopelijk gaan ze met de billen bloot over hun beraadslagingen. De kwetsbaarheid van degenen die preken inzenden verdient beloond te worden door een kwetsbare jury - alsjeblieft geen grijze winnaar die van elk jurylid een 7- kreeg, omdat niemand er iets tegen had.

Wat de een ontroert en sticht is misschien voor de ander geneuzel of baarlijke onzin. De een vindt belangrijk dat de gemeente recht heeft op de ernst en de tucht van het Woord en dat humor daar niet past. Hopelijk zitten er in de jury mensen die net als ik vinden dat een preek een streepje voor heeft, als er gul te lachen valt, niet alleen als hulpmiddel om bij de les te blijven, maar ook als voorsmaak van de eeuwige voorstelling, waar we na de ballingschap in dit tranendal niet meer zullen bijkomen van het schuddebuiken. En omdat er om zo te zeggen al te veel in het Duits wordt gepreekt.

mailIcon print |