DEN HAAG - De twee jaar als Kamerlid zullen 62-jarige Piet Bukman zwaar zijn gevallen. De tuinderszoon is een doener, geen prater. Liever een bestuurder dan de controleur van het bestuur. Het is voor een mens als Bukman een cynische speling van het lot dat de politieke positie van zijn CDA zozeer verzwakt is, dat de enig beschikbare bestuurlijke post die van voorzitter van het controlerend orgaan is.
Bukman is met een verrassend grote meerderheid tot Kamervoorzitter gekozen. Maar het CDA kan de indruk niet ontzenuwen dat hij is 'geparachuteerd'. Gevraagd naar de reden waarom de christen-democratische fractie voor de kandidatuur van Bukman koos, kon menig prominent de afgelopen weken niet veel meer bedenken dan dat hij toch zo'n goed bestuurder is. Geen woord over de eventuele kwaliteit van zijn Kamerlidmaatschap (twee jaar bracht hij relatief onopvallend op de blauwe zetels door) of over een bevlogen visie op de rol van de volksvertegenwoordiging.
Zijn waardering voor het debat kan alleen afgeleid worden aan zijn optreden als CDA-partijvoorzitter in de eerste helft van de jaren tachtig. Bijnamen uit die tijd als de 'de Lenin van Voorschoten' duiden er niet op dat Bukman het open debat nu zo waardeert. En in die tijd ook zeker niet wilde stimuleren. In zijn bemoeienis met de Kamerfractie lag de nadruk op het woord eenheid en steun voor de partijleider in het kabinet.
Ter verdediging van de nieuwbakken Kamervoorzitter moet gezegd worden dat het CDA in die onzekere eerste jaren na de fusie van KVP, ARP en CHU geen behoefte had aan een voorzitter die de teugels eens fijn zou laten vieren. Het waren de jaren van elkaar, katholiek en protestant, aftasten, van de bloedgroep-discussies en van de loyalisten.
Eén van de loyalisten van toen, de net als Bukman uit de ARP afkomstige Hans de Boer, zei gisteren voor de NOS-radio nog dat Bukman de partij in die jaren naar rechts probeerde op te schuiven, terwijl de fractie naar links zou neigen. Die uitspraak suggereert dat Bukman voor een inhoudelijke politieke lijn stond, maar daarvan is weinig gebleken. Bukmans doel was eenheid, aanvankelijk met z'n allen achter Van Agt, later met z'n allen achter Lubbers.
Beroemd is de wijze, waarop Bukman ervoor zorgde dat Van Agt lijsttrekker werd in 1981. Op de partijraad in Rotterdam dreigde een aantal partijleden Lubbers te kandideren, maar Bukman wist met veel verbaal geweld dit opzetje de kop in te drukken. Dat konden ze Van Agt niet aandoen. En trouwens Lubbers had zelf voor de eer bedankt, dus wat wilde de partijraad eigenlijk. Bukman blufte ten slotte iedereen af door Van Agt bij acclamatie tot lijsttrekker aan te laten wijzen. Bukman wilde voort. Hij herinnerde de partijraad er graag aan dat er nog meer te doen was op de momenten dat er te veel discussie dreigde.
Maar nogmaals, het CDA uit die eerste jaren had behoefte aan een strakke leiding. Dat het ook hem af en toe te veel werd moge blijken uit zijn opmerking toen hij ooit het het congres toesprak van de Duitse zusterpartij de CDU. Bukman zou een toespraak houden en kreeg te horen dat er geen discussie zou volgen naar aanleiding van zijn toespraak. Heel goed, zei Bukman. “Geen discussie, geen vragen, alleen applaus.” Het was cynisch bedoeld, maar, met het inmiddels gevestigde beeld van Bukman, is de opmerking hem altijd nagedragen als tekenend voor zijn politiek optreden. Eenmaal gevestigde indrukken hebben de eigenschap uiterst hardnekkig te zijn.
Bukman diende na zes jaar partijvoorzitterschap 'beloond' te worden. In de formatie van het tweede kabinet-Lubbers kreeg hij ontwikkelingssamenwerking. Tot zover ging het nog goed. Ook in die jaren viel de man, die groot werd in de Christelijke boeren- en tuindersbond, de kweekvijver van zoveel CDA-talent, niet op door bevlogen ideeën. De pleitbezorgers van zoveel mogelijk ontwikkelingssamenwerking, ook in het CDA in die jaren een sterke groep, herinneren hem vooral als de eerste bewindsman op die post die het niet onoverkomelijk vond als zijn begroting zou meedraaien in de bezuinigingen. Onder Bukman werd de ontwikkelingshulp voor het eerst aangesproken voor de opvang van asielzoekers.
Lubbers had desondanks kennelijk niet zo'n hoge pet van Bukman op dat bij de formatie van '89 alvast een plaatsje voor hem werd uitgeruimd. Sterker, Bukman moest wijken. Om de katholiek Braks op landbouw te houden, het department waar Bukman maar wat graag naar toe wilde. En om meer vrouwen in het kabinet te krijgen. De komst van Maij-Weggen betekende een politieke stap terug voor Bukman.
Woedend was hij toen hij te horen kreeg dat hij zou worden 'afgescheept' met een staatssecretariaat op economische zaken in het derde kabinet-Lubbers. Dat Braks een jaar later het veld moest ruimen na zijn politieke val over de visfraude en dat Bukman alsnog naar landbouw kon vertrekken was een schrale troost voor een zich miskend voelende partijganger.
Braks kon zich op landbouw nog profileren als degene die boer en tuinder beschermde tegen de bedreigende buitenwereld, Bukman kreeg die kans niet meer. Door het toenemende mestprobleem kwam hij in de agrarische wereld te boek te staan als de vijand. Bukman kon geen goed meer doen. Op de partijbijeenkomst in februari '94 in het Westland, het tuindersgebied waaruit hij zelf afkomstig is, kreeg hij de woede van de 8 000 aanwezige tuinders over zich heen, terwijl Lubbers op dezelfde bijeenkomst alleen gejuich oogstte.
Een uitgelekt amice-briefje aan collega Andriessen van economische zaken vlak voor die bijeenkomst hielp ook niet. Bukman vroeg Andriessen de verhoging van de gasprijs voor tuinders een jaar uit te stellen, mede met het oog op de verkiezingen van mei van dat jaar. Partijpolitieke belangen boven het landsbelang stellen, riep de Kamer en Bukman kreeg een publiekelijke oorvijg van Lubbers. “Onnodig en staatsrechtelijk onjuist”, oordeelde de premier. En opnieuw moest Bukman langs de wachtende journalisten met een bits 'geen commentaar'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.