“Ik vermoed dat het in de toekomst niet zal gaan om snelle auto's en kratten champagne, maar om elementaire behoeften als rust, schoon water en genoeg ruimte”, schreef de Duitse cultuurfilosoof Hans Magnus Enzensberger op 9 januari in Letter & Geest. Als eersten reageerden Eimert van Middelkoop (GPV) en Paul Rosenmöller (GroenLinks), vorige week de fractievoorzitter van de PvdA Jacques Wallage, vandaag zijn collega van de CDA, Enneüs Heerma.
Er is een antwoord dat de door Enzensberger tot nieuwe luxe bestempelde zaken, zoals rust, veiligheid, stilte, tijd, aandacht, ruimte en milieu, als collectieve voorzieningen wil beschouwen. Politieke ingrepen zijn nodig om te voorkomen dat zij overgelaten worden aan de markt en uitgroeien tot dure hebbedingetjes voor de rijken. Gezien vanuit de idealen van de gelijkheid en de duurzaamheid, is het een aantrekkelijk antwoord. Dit antwoord is het van overheidswege bewerkstelligen van gelijkheid en duurzaamheid van GroenLinks. Aan de vrijheids- en verantwoordelijkheidsbeleving van de burgers en hun maatschappelijke organisaties laat het echter weinig ruimte.
Een tweede antwoord deelt het ideaal van de duurzaamheid, maar is sceptisch over de mogelijkheden van de overheid om deze goederen als collectieve voorzieningen op de juiste wijze te organiseren en te verdelen. Het spook van de bureaucratie noopt in dit perspectief juist tot een afzien van wettelijke regelgeving en leidt tot een voorkeur voor spontane initiatieven van burgers en voor heffingen teneinde het prijsmechanisme op de juiste wijze zijn werk te laten doen. Dit antwoord kenmerkt de ontwikkelingsgang van staat naar markt en middenveld van de Partij van de Arbeid. De vraag is echter of dit tot het beoogde doel leidt: betekent het “oplossen van de schaarste” door het “zichtbaar maken” van de prijs niet juist dat deze goederen nog uitsluitend toegankelijk zullen zijn voor de rijken? In het door Wallage genoemde voorbeeld: als parkeerplaatsen op de openbare weg worden verkocht aan de huiseigenaren, gaat er openbare ruimte verloren en zullen sommigen in staat zijn véél parkeerplaatsen aan te schaffen. Ik zie niet in hoe prijsstelling hier het probleem voorkomt. Het roept het eerder op.
Een derde antwoord lijkt in zijn aanpak op het vorige, maar wijkt ervan af omdat het weigert een uitspraak te doen over het ideaal. Of de door Enzensberger genoemde goederen door de individuen als luxe zullen worden beschouwd, zal wel blijken, aldus dit antwoord. Daar kunnen geen politieke uitspraken over gedaan worden. Het prijsmechanisme, mits juist toegepast, zal de verdeling van deze goederen bepalen. Die goederen moeten daarom juist niet gecollectiviseerd worden, maar onder privaat eigendom gebracht, zodat zij verhandeld kunnen worden. Dit antwoord optimaliseert de individuele vrijheid, verantwoordelijkheid is vooral een kwestie van het respecteren van elkaars eigendom. Duurzaamheid is het in het prijsmechanisme verdisconteren van het niet schaden van toekomstige individuen. Alleen daar ligt een overheidstaak. Dit antwoord is de moreel neutrale overheid van het liberalisme. Het roept het doemscenario van Enzensberger juist op.
Zelf kies ik voor een politiek antwoord op de door Enzensberger opgeworpen kwestie, dat de overheid een beperkte, maar essentiële taak toekent inzake de totstandkoming, handhaving en de verdeling van belangrijke maatschappelijke goederen. Essentieel omdat de overheid de totstandkoming van die, materiële en immateriële, goederen waarborgt. Bijvoorbeeld door het marktmechanisme soms juist te weren. Essentieel ook omdat de overheid een elementair aandeel in die goederen voor ieder mens beschermt. Bijvoorbeeld door in de prijsstelling van water en energie een basisgebruik van heffingen vrij te stellen. Zij hoeft daartoe deze goederen (behalve veiligheid) niet zelf te produceren of te verstrekken, maar wel het maatschappelijk verkeer zodanig te ordenen, dat deze goederen tot stand komen of in tact blijven en voor ieder het nodige ter beschikking staat.
Deze taak is tegelijk beperkt omdat aldus niet het gehele maatschappelijke leven onder het beslag van het overheidsingrijpen wordt gebracht. Er blijft een óók van overheidswege gewaarborgde ruimte voor eigen verantwoordelijkheid van mensen en maatschappelijke organisaties. En dus voor eigen keuzen die zowel gematigdheid en solidariteit als spilzucht en egoïsme kunnen behelzen. De christen-democratie appelleert aan mensen en organisaties om die keuzen door solidariteit en rentmeesterschap te laten bepalen en brengt daarmee de rol van het maatschappelijk middenveld in het geding. Ik ben van mening dat wij de innerlijke overtuiging van mensen nodig hebben om in een moderne, gedifferentieerde, democratische samenleving de omslag te kunnen maken in produktie, distributie en consumptie die door het ideaal van de duurzaamheid gevraagd wordt. Het is een illusie om te nemen dat dit ideaal bereikt kan worden door de goederen in kwestie te collectiviseren. En ook een marktconforme aanpak alléén schiet te kort.
Ook bij de andere door Enzensberger genoemde schaarse goederen: tijd, ruimte en veiligheid, zijn politieke keuzen in het geding. Wat de tijd betreft gaat het bijvoorbeeld om de keuze tussen een overheid die de zeven keer 24-uurseconomie zijn allesverzwelgende gang laat gaan of een overheid die bij winkelsluitings- en arbeidstijdenwet de vrije zondag en dus rust en stilte waarborgt. De keuze tussen een overheid die iedereen, mannen en vrouwen, als economisch zelfstandige individuen de flexibele arbeidsmarkt opdwingt en een overheid die de botsende belangen van gezin en bedrijfsleven harmoniseert door tijd voor zorg en aandacht mogelijk te maken.
Ook de beschikbaarheid en de toedeling van ruimte is een kerntaak van de overheid. Een marktconform- of een gedoogbeleid, die feitelijke ontwikkelingen honoreren of zich erbij neerleggen, leiden tot verstedelijking van het buitengebied, terwijl de steden juist worden uitgehold. Het economische gewin domineert dan over de ruimtelijke gerechtigheid, dat wil zeggen: het tot hun recht komen van ruimte, rust, stilte, natuur en een eigen, duurzame ontwikkeling van het platteland. Aan de orde is een keuze tussen een overheid die de wettelijk vastgelegde ecologische hoofdstructuur van Nederland opoffert, dan wel een overheid die deze respecteert. Toedeling van ruimte gekoppeld aan leefbaarheid is aan de orde bij het op grote schaal toestaan van de vestiging van supermarkten in benzinestations. In decennia gegroeide evenwichten worden doorbroken nu hiermee de laatste winkels in de dorpen dreigen te verdwijnen.
Tot slot de veiligheid. Dit is bij uitstek een goed, dat de overheid juist zelf moet produceren. Dit betekent op de eerste plaats een einde aan het gedogen en het weer voorrang geven aan de norm boven de vorm. Een duidelijke normstelling betekent ook een steun in de rug van de politie bij de handhaving van het recht.
Of de nieuwe schaarsten, rust, veiligheid, stilte, tijd, aandacht, ruimte en milieu, zullen leiden tot buitensporige luxe van enkelen of tot de gedeelde genoegens van allen, hebben wij als burgers in een democratie in zekere mate zelf in de hand. Het gaat immers om politieke keuzen tussen het overlaten aan de markt, het regelen door de overheid of het regelen door het maatschappelijk middenveld van zaken die te belangrijk zijn om als buitensporige luxe aan de rijken voorbehouden te zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.