In zijn toelichting bij de Zevende van Mahler schrijft Donald Mitchell dat de finale van die symfonie een heerlijk muzikaal spel is, dat gespeeld wordt onder een weldadige zon. Donderdagavond leverden de Wiener Philharmoniker, fenomenaal geleid door Simon Rattle, het klinkend bewijs voor deze stelling. Op dit soort momenten, als het Weense orkest geïnspireerd wordt door de juiste impulsen vanaf de bok, is het inderdaad het beste orkest ter wereld, zoals vaak beweerd wordt. Rattle plaatste opvallend de tweede violen aan zijn rechterzijde, wat belangrijke, autonome rol in deze symfonie benadrukte.
Het contrast in klank en expressie tussen de Weners in de Zevende en de Berlijners in de Zesde (een avond eerder onder Haitink) kon bijna niet groter zijn dan bij deze directe confrontatie op het Mahler Feest. Daar waar Haitink zijn machtige orkest opblies in verpletterende decibels, daarbij in een zeer persoonlijke visie Mahlers subtiele gradaties, aanwijzingen en wat dies meer zij gedurfd negerend, hield Rattle (zeker in het eerste deel) pas op de plaats. Rattle dirigeerde de complexe symfonie uit het hoofd, boetseerde de klank van ruig onbewerkt aardewerk tot verfijnd porselein (minder precies dan Muti in de Vierde) en overschreed nergens de grens waarachter Mahlers muziek vervaarlijk banale trekjes kan krijgen.
Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast, terughoudendheid die van Mahlers Zevende. Algemeen wordt deze symfonie beschouwd als de moeilijkst te doorgronden in het negental (op het titelblad staat: symfonie in e-klein, b-klein en C-groot!) en het vereist groot inzicht èn techniek om de bedoelingen van de componist op een publiek over te brengen. Rattle slaagde daarin optimaal, juist omdat hij in het eerste deel zichzelf en het publiek tijd gunde. Hij roeide als het ware op zijn gemak naar de overkant van het eerste deel (Mahler kreeg de ingeving voor het basisritme tijdens een roeitochtje over de Wörthersee), pauzeerde op zijn tijd om de omgeving in zich op te nemen en de boot op eigen kracht te laten voortglijden.
Dat uitte zich bijvoorbeeld in de relatief lang genomen pauze vóór de recapitulatie van het 'roei'-ritme en de duidelijke 'Cüsur' voor het grandioso. Rattle plaatste met succes het eerste deel in een schemerig licht (als contouren steeds moeilijker te zien zijn) en bereidde zodoende perfect de drie middendelen voor die zich in de nacht afspelen. In de eerste van deze Serenades (Nachtmusiken zoals Mahler ze later noemde) klonk op weergaloos het geluid van koebellen, precies zoals Mahler het zich moet hebben voorgesteld: als in een verre echo weerklinkend over water en tussen bergwanden. Met perfect uitgevoerde details (een onnavolgbaar col legno-figuurtje van de tweede violen, de beroemde flüchtig-passage voor fluit, contrabassen, harp en violen) bereikte Rattle de grootst mogelijke expressie.
In het Scherzo (Schattenhaft noemde Mahler deze Berlioziaanse heksensabbat) toonde Rattle een geweldig gevoel voor overgangen; de ritmische bruggen naar de veelzijdige triolenmotiefjes klonken weergaloos, hadden een zuigende werking; een wals in onttakeling, die met zeldzaam genoegen gespeeld (felle fagotstoten, wegschietende pizzicati) door dit Wienerwaltz-orkest bij uitstek. De tweede serenade, waarin mandoline en gitaar op komische wijze gebruikt worden (iemand met maar enkele basislessen kan deze partijen al spelen) verliep bij Rattle verrassend snel; sneller dan hier hoorde ik dit zelden. Het was alsof Rattle niet kon wachten te beginnen met de finale.
Zoals gezegd werd deze finale het hoogtepunt, zoals het hoort. Pas daar kwam het orkest tot een dubbelforte, pas daar werd de exuberantie van deze muziek duidelijk. Rattle wist de vele motiefjes en thema's visueel duidelijk te maken met zijn plastische directie. Ook hier weer die onnavolgbare kunst van het naadloos laten aansluiten van tempi en structuren. Op sommige momenten ontketende Rattle een onhoudbaar snel tempo, om vervolgens weer even gemakkelijk in te houden. Weergaloos, dat is het enige woord dat van toepassing is op deze uitvoering.
Vanavond en morgenavond klinkt 'Das Lied von der Erde' en doet het Gustav Mahler Jugend Orchester zijn intrede, met musici uit de landen waar Mahler vaste posten had, zoals Slovenië, Hongarije, Tsjechië en Oostenrijk. Tenor Ben Heppner en bariton Thomas Hampson zingen, Bernard Haitink dirigeert.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.