*

 
dossier

Archief

Hoogleraar: Er zitten nogal wat grimmige kantjes aan het nieuwe recht

Door: redactie − 19/01/96, 00:00

Van een onzer verslaggevers EDE - “We zijn geen gidsland meer op het terrein van het jeugdstrafrecht.” En dat spijt dr. J. Junger-Tas, hoogleraar criminologie aan de universiteit van Lausanne. Het uitgangspunt van het nieuwe Nederlandse jeugdstrafrecht is volgens haar verschoven van: bescherming van jeugdigen tégen de samenleving naar: bescherming en beveiliging van de sámenleving tegen jeugdigen.

“Er is dus reden tot zorg”, zei zij gisteren in Ede tijdens een studiedag over de nieuwe jeugdstrafwet.

Ze was de enige niet die bezorgdheid uitte. Prof. mr. J. E. Doek, hoogleraar jeugdrecht in Amsterdam: “Van de strafbare feiten gepleegd door jeugdigen, wordt veertig procent afgedaan door de politie, de rest (zestig procent) wordt aangebracht bij de officier van justitie en daarvan bereikt ongeveer een kwart de zitting. Ik hoop van harte dat dat percentage niet zal toenemen.”

De vrijheidsstraffen in het nieuwe jeugdstrafrecht zijn verhoogd van zes maanden naar 24 maanden maximaal en de maxima voor boetes zijn opgeschroefd van 500 tot 5000 gulden. Daarnaast zijn de alternatieve straffen nu opgenomen in de jeugdstrafwet, behoort rij-ontzegging tot de mogelijkheden en kan schadevergoeding aan slachtoffers worden opgelegd.

Het nieuwe jeugdstrafrecht is pas een paar maanden geleden ingevoerd, maar volgens de Amsterdamse hoogleraar jeugdrecht prof. mr. J. E. Doek zitten er nogal wat grimmige kantjes aan de nieuwe wet. Doek stelde vast dat de mogelijkheden om het volwassenen-strafrecht toe te passen op zestien- en zeventienjarigen aanzienlijk zijn verruimd.

Deze maand nog veroordeelde de rechtbank in Den Bosch een 17-jarige tot vier jaar gevangenisstraf voor doodslag. Als in zijn zaak het jeugdstrafrecht was toegepast, had hij maximaal twee jaar jeugddetentie kunnen krijgen.

Volgens Junger-Tas zijn er in Nederland, zoals in de meeste westerse landen, steeds minder verschillen tussen het volwassenen-strafrecht en het jeugdstrafrecht. “Daarbij komt de essentie van het jeugdstrafrecht, met zijn nadruk op opvoeding en behandeling, onder druk te staan. In feite vindt er een zekere marginalisering van het jeugdstrafrecht plaats.” Doordat de unieke positie van de kinderrechter onder druk komt te staan in de nieuwe wet, is er volgens haar een reëel risico dat dit specialisme verdwijnt.

Volgens Junger-Tas blijkt in een groot aantal Angelsaksisch georiënteerde landen (zoals Nederland) dat er de neiging bestaat jongeren die met het strafrecht in aanraking komen als volwassenen-in-wording te benaderen. Maar ook de aandacht van Justitie voor de jongste kinderen, die dus buiten het jeugdstrafrecht vallen, vervult haar met zorg. Het opnemen van gegevens van 7- tot 12-jarigen in een soort 'boefjesbank', zoals Justitie wil, kan volgens haar de aanzet zijn tot het loslaten van de 12-jaars-drempel voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid. “Een dergelijke ontwikkeling is illustratief voor de nieuwe manier van denken over kinderen en jongeren.”

De ontwikkelingen in de jeugdcriminaliteit in Nederland zijn intussen redelijk stabiel, blijkt uit de jongste cijfers van het Wetenschappelijk onderzoeks- en documentatiecentrum (WODC) van Justitie.

Op grond van politiecijfers houdt het ministerie per leeftijdsgroep bij wat jongeren zoal uitspoken. De gemiddelde leeftijd waarop voor het eerst een strafbaar feit wordt gepleegd is ongeveer 13 jaar, blijkt uit WODC-onderzoek.

Jaarlijks komen gemiddeld zo'n 40 000 jongeren in aanraking met de politie, dat is grofweg 3,5 procent van het totaal. In negen van de tien gevallen gaat het om jongens.

Volgens het WODC is er een duidelijke toename onder jongeren in het aantal geweldsdelicten tegen personen (mishandeling en diefstal met geweld, tasjesroof vooral). Maar in het gros van de zaken (62%) draaide het in 1994 om vermogensdelicten (inbraak, diefstal).

Naast de politiecijfers (die niet per leeftijdscategorie zijn uitgesplitst) heeft het WODC gegevens uit jaarlijkse enquêtes onder scholieren (zie ook de staatjes hieronder). In 1990, 1992 en 1994 gaf ongeveer 38 procent van de ondervraagde jongeren aan dat zij in het voorgaande schooljaar één of meer strafbare feiten pleegden. Waarmee wordt aangetoond dat veel van de door hen aangekruisde delicten niet ter kennis komen van de politie.

Bij de 18- tot en met 24-jarigen valt op dat zij zich - nog steeds volgens eigen opgave - aanzienlijk vaker schuldig maken aan zwartrijden, heling en fietsendiefstal, dan de jongere groep.

Dr. P. H. van der Laan van het WODC liet gisteren op de studiedag in Ede doorschemeren dat hij een registratie van kinderen, jonger dan 12 jaar, zinnig zou vinden. Hij wees er op dat uit kringen van politie en Justitie signalen komen dat de delinquenten die zij te zien krijgen, steeds jonger zijn. “Vroegtijdige onderkenning en tussenkomst zijn van groot belang.”

Met de oprichting van zo'n 'boefjesbank' zou het justitiële systeem bij jeugdigen aan geloofwaardigheid kunnen winnen. “Het is pedagogisch niet verantwoord als jonge delinquenten een aantal keren achter elkaar bij een delict een standje krijgen in de trant van 'je krijgt nu een waarschuwing, maar de volgende keer nemen we andere maatregelen'. De kans dat bij die volgende keer opnieuw een standje volgt is niet gering, domweg omdat het voor politiefunctionarissen niet te achterhalen is of er al eens eerder iets met een jongere is gebeurd.”

Een databank met informatie over politiecontacten zou dan zijn nut kunnen bewijzen, vindt Van der Laan.

Maar hij kreeg weinig steun. Tijdens de studiedag bleek er duidelijk huiver te bestaan voor een dergelijke registratie. Prof. Junger-Tas: “Ik ben ook helemaal niet zo overtuigd van de heilzame werking van vroegtijdig justitieel ingrijpen.”

mailIcon print |