*

 
dossier

Archief

Gedogen

CORNELIS VERHOEVEN − 23/01/97, 00:00

Er moet een reden te bedenken zijn waarom het mooie, ouderwetse woord 'gedogen' vrijwel nooit meer in ernst wordt gebruikt, maar gewoonlijk een ironische vorm van kritiek bevat op degenen van wie gezegd wordt of liever die van zichzelf zegen dat zij 'gedogen' en, systematisch en doordacht, een 'gedoogbeleid' voeren, bijvoorbeeld ten opzichte van het gebruik van drugs.

Die reden zou verband kunnen houden met de manier waarop de gedogers zelf over hun tolerantie en hun beleid blijken te praten, namelijk als superieure figuren die ten opzichte van minderen of andersdenkenden ruimhartig het standpunt innemen dat die ook mogen leven, zij het bij voorkeur binnen nauwkeurig omschreven grenzen, in de marge van de samenleving en niet al te hoog boven het minimum.

En de implicatie van dat standpunt moet wel zijn dat het gedogen wordt voorgesteld als een vrijwillig gekozen daad met een hoog gehalte aan nobelheid, maar die niet langer hoeft te duren dan het de gedogers behaagt. Want, zo heet het dan, er zijn grenzen aan de tolerantie en als die worden overschreden, dreigt de repressie.

Het laatste wat gedogers toegeven is dat zij machteloos zijn. En wie weet is dat nu juist het eerste waar het woord 'gedogen' betrekking op heeft.

Wat de critici en spotters eigenlijk bedoelen en hoe diep zij hebben nagedacht, weet ik uiteraard niet precies. Ik heb ook verder weinig affiniteit met hen. Soms blijkt het genoeg te zijn een te deftig woord schertsend te herhalen om de ballon die het gebruik daarvan is geworden, door te prikken. Met ballonnen is dat niet zo moeilijk en het heeft meteen een spectaculair effect: het kleinste gaatje is al fataal.

Het meest voor de hand liggend is het aan te nemen, dat in dit geval de houding van superioriteit irriteert. De gedoogden worden als minderen behandeld, terwijl het voor de hand liggend en fatsoenlijk is medemensen als gelijken te beschouwen. Aan gelijken kunnen wij ons eventueel verschrikkelijk ergeren, maar 'gedogen' in de betekenis die nu gangbaar dreigt te worden, doen wij hen niet, omdat we niets over hen te zeggen hebben: ze zijn er eenvoudig en hoeven ten opzichte van hen niet speciaal te besluiten tolerant te zijn. Juist in die nadrukkelijk verkondigde en als een persoonlijke verdienste beschouwde tolerantie zit gewoonlijk een element van mateloze arrogantie.

De verklaring is wel duidelijk, maar ik wil een stap verder gaan dan de critici van het zogenaamde gedogen. Want wat zij, waarschijnlijk met de gedogers gemeen hebben is dat zij uitgaan van de veronderstelling dat 'gedogen' iets puur actiefs is en iets wat vrijwillig wordt gekozen uit een heel assortiment van beschikbare mogelijkheden, terwijl het woord 'gedogen', zoals ook tolereren, dragen, lijden, verduren, doorstaan, uithouden en dulden, onmiskenbaar betrekking heeft op een passiviteit, iets wat wij te dragen hebben en waar we eventueel onder gebukt gaan. Voordat 'gedogen', vals en schijnheilig, wordt getrokken in de sfeer van politieke keuze, activiteit en edelmoedigheid, slaat het op de mate waarin wij, voordat we eraan bezwijken, in staat zijn iets te dragen en te verwerken, dus zonder vrije keuze en mogelijkheid tot actief en zo nodig gewelddadig optreden.

Het klinkt naar een voorlopigheid en een 'even aanzien', waarvan wij zelf wel het einde zullen bepalen. Op dit punt lijkt de blinde vlek te liggen die de critici gemeen hebben met de gedogers.

mailIcon print |