Te zien t/m 13/1 in de Amsterdamse Stadsschouwburg, daarna Leiden (16/1), Maastricht (17), Den Bosch (18), Arnhem (19), Breda (20), Rotterdam (30 en 31), Groningen (1 en 2/2) en Utrecht (3/2).
In een zeepfabriek, ook al is ie verlaten, moet je op je tellen passen. De spelers van de Blauwe Maandag Compagnie waggelen en glibberen zich letterlijk en figuurlijk een weg door het leven van Meneer Paul. Misschien heeft Meneer Paul de vloer met zeep ingesmeerd om indringers op afstand te houden, misschien heeft-ie de zeepresten nooit opgeruimd. Een enorme heipaal, die diagonaal over de toneelvloer ligt, vormt zowel een houvast als een obstakel. Permanente rook- en magnesiumwolken, buien van kussenverens, uitgespuugd brood en diffuus licht (Luk Perceval/Rob van Ertvelde) maken het leven in de zeepfabriek er vervolgens niet inzichtelijker op.
Dorsts drama is, kortweg, een draak. Er is geen enkele mogelijkheid tot ontsnapping in verbeelding of fantasie: de makelaar is een teerhartige boef, de aannemer een botte schoft zoals elke cliché-aannemer dat is (zij vormen 'de produktieven'), degene die een huis wordt uitgezet de eeuwige maar vindingrijke zielepiet, het gestoorde meisje is gestoord ('de klaplopers'), de vriendin van de makelaar een naïef, naar hysterie neigend gansje dat navenante kelen opzet.
Hoe Meneer Paul het toch voor elkaar krijgt om in zijn fabriek te blijven wonen? Door ronduit aan één stuk door tegen iedereen aan te ouwehoeren; hij kletst iedereen, inclusief de toeschouwers, de oren van het hoofd. Vindingrijk is Meneer Paul daarbij onmiskenbaar, maar de trukendoos die Jan Decleir opentrekt om Meneer Paul tot leven te wekken is van een suizebollende onvoorstelbaarheid. Keer op keer opnieuw: kijk eens wat voor knap kunstje ik kan! 'Ja jong, hier heb je nog een caramel, nu maar even rap buiten spelen ja?'
Decleir kan alles: loeien, brullen, brallen, spugen, snauwen, grommen, een zotte solo op een pianoklavier dansen, dode dieren opzetten, met puilende ogen verontwaardiging duiden als de buren dode katten bij hem door de ramen smijten, warrelende kussengevechten leveren, aan een stoel hangen, een oeraap nadoen, Wedgwood-aardewerk kapot smijten 'omdat de mens strikt genomen geen schoteltje nodig heeft', zich zogenaamd laten overrijden in de Eenhoornstraat, het huisuitzettingscontract verorberen ofwel 'tot zich nemen', en ongetwijfeld kan Decleir nog veel meer. Maar daarmee staat Meneer Paul nog niet. De Compagnie toont met deze voorstelling (onder regie van Johan Dehollander) helemaal geen 'huisuitzettingsverhaal dat als een sprookje verloopt', maar met die stortvloed aan theatrale trucs eerder een openbare bewegings- annex vormgevingsles die beter 'Bij ons in de smidse' had kunnen heten. En dan nòg.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.