*

 
dossier

Archief

De wetenschappelijk onderzoeker/Vrouwelijke natuurkundigen zijn sterker

BAS DEN HOND − 07/02/96, 00:00

Naam: Frans Saris Bedrijf: AMOLF, FOM-instituut voor atomaire en moleculaire fysica, Amsterdam. Beslist over: fysische onderzoekers Benodigd diploma: (minimaal) WO-studie Natuurkunde

Een pas afgestudeerd natuurkundige die daar niet tegenop ziet, of het in ieder geval over heeft voor de wetenschap, of gewoon in zichzelf gelooft, komt waarschijnlijk wel aan de slag. De laatste tijd nemen grote bedrijven als Philips en KPN weer behoorlijk wat afgestudeerden aan, en daardoor zijn er bij universiteiten en onderzoeksinstituten meer promotieplaatsen dan aio's en oio's. De wetenschap, als altijd kreunend onder de bezuinigingen, heeft nu dus ook nog eens last van de economische opleving.

Bij de post-docs ligt het juist andersom: op gepromoveerden zijn bedrijven minder happig, en er wordt flink gepromoveerd in Nederland. Op de universiteiten zijn er nauwelijks vacatures voor vaste banen, waardoor steeds meer bedoeïenen door dezelfde woestijn dolen.

AMOLF, het FOM-instituut voor atomaire en moleculaire fysica in Amsterdam, werkt om die redenen steeds meer met post-docs. De grote omzet aan tijdelijke werknemers houdt wetenschappelijk directeur Frans Saris voortdurend bezig: hij kan gemiddeld bijna elke week iemand aannemen. En om die reden wordt elke serieuze sollicitatie ook in behandeling wordt genomen, ook al is er nog even geen baan.

“We krijgen elke dag wel een brief van iemand die solliciteert, heel vaak ongevraagd. Als iemand ons interessant lijkt, krijgt die een uitnodiging om hier een hele dag te komen. De onderzoeker-in-opleiding of postdoc gaat in ieder geval langs bij de wetenschappelijke groepsleiders, de technici bij de technisch directeur, en aan het eind van de dag komen ze allemaal bij mij.”

Het komt maar zelden voor dat Saris op het moment dat de gegadigde over de drempel komt, al een enthousiast of afkrakend telefoontje van een van die eerdere gesprekspartners heeft gekregen. Hij wil er zelf achterkomen wat iemand te bieden heeft. Pas na het bezoek worden de koppen bij elkaar gestoken: doen of niet doen.

Vaak solliciteert iemand die op het AMOLF niet helemaal onbekend is. “Er is niks op tegen als je collega's ook je vrienden zijn. Sterker nog, het is een voorwaarde dat je met ze kunt opschieten, want er wordt hier keihard gewerkt. Elke avond zijn er wel een stuk of dertig mensen die doorgaan.”

In de wetenschap word je niet zo vreselijk gehouden aan de standaard kledingcodes. Maar de veronderstelling dat dan ook een sollicitatiebrief van een vrolijke ongedwongenheid mag zijn, is verkeerd. Saris wil een nette, zo informatief mogelijke brief. “Ik ben bijzonder geïnteresseerd in wie die persoon is die solliciteert. Want ik ben er ontzettend van afhankelijk. Hij of zij gaat ons produkt bepalen: dat bestaat namelijk voor een groot deel uit onderzoekers en technici. En wie iemand is, dat kun je ook uit de sollicitatiebrief halen, en uit het c.v.”

Zijn eerste selectiecriterium: verrassing. “Ik zie zoveel brieven, spreek zoveel mensen, ik denk steeds: wat is er nou bijzonder aan jou, waarom wij je moeten aannemen. Als ik daar een antwoord op krijg, maakt iemand een grote kans.”

“En daarbij gaat het niet alleen om het gedane werk. Dat kan natuurlijk ook, iemand die met alleen maar tienen is afgestudeerd, is natuurlijk bijzonder. Maar het kan ook een roeikampioen zijn. Want dan weet ik: jij bent competitief. Laatst had ik een jongen, die speelde cello in het Nationaal Jeugdorkest. Dat is iets geweldigs, dat zouden alle conservatoriumstudenten wel graag willen. Die heeft kennelijk de persoonlijke rust en de drive om te halen wat hij halen wil.”

Kan dat bijzondere dat hij ontdekt bij een vrouw onder al die solliciterende doctorantussen en doctores in de fysica het enkele feit al zijn dat ze vrouw is? “Ik heb het in december in De Gids geschreven: 'Vrouwen zijn beter'. De vrouwelijke natuurkundigen die we hier hebben zijn vrijwel allemaal, ook mentaal, sterker dan de mannen. Ze moeten de nodige obstakels overwinnen om zo ver te komen, en als dat dan is gelukt en ze solliciteren hier, dan merk je het: ze zijn sterker, beter.”

Je kunt ook te sterk zijn in je vak, te monomaan. Die liever niet. Het instituut heeft zijn uitzondering: iemand waar geen zinnig woord buiten de natuurkunde mee te wisselen valt, en trouwens over de natuurkunde zelf ook al nauwelijks te volgen is, maar die “geniale dingen doet”. Maar doorgaans worden zulke types er wel uit gehaald: “Een van de dingen die ze moeten doen wanneer ze hier een dag zijn, is voor een bord gaan staan en in vijftien minuten uitleggen wat er in hun afstudeerverslag staat. Als iemand dat niet kan, dan beheerst hij ofwel zijn eigen vakgebied niet goed, ofwel het schort aan zijn communicatieve vaardigheden.”

En die moeten goed zijn: “Mensen die goed communiceren zijn vaak breder dan de vakidioten. Die kunnen sociaal opereren in een maatschappij die meer is dan de natuurkunde.”

“Ik vraag altijd: als je hier komt werken, ga je dan verhuizen? Wat iemand doet is niet zo belangrijk, maar als het antwoord meteen komt, blijkt daaruit dat hij zich heeft ingeleefd.”

“Wij staan er om bekend dat we hoge eisen stellen. Ik stel ook altijd de vraag waarom mensen hier solliciteren. Uit het antwoord blijkt vanzelf of ze zich ingelicht hebben. Als dat niet zo is, weet ik al: dit is de zoveelste sollicitatie. En ik ben zo trots op deze tent, dat ik dan zeg: ga maar ergens anders solliciteren.”

Krijgt wie heeft mogen komen en is afgewezen ooit nog een herkansing? Alsnog van deze wereld geworden, flink geoefend voor een schoolbord...

“Nee. Daar ben ik misschien arrogant in, maar dat is dan maar zo. We maken vast fouten. Ik zie mensen elders een prima proefschrift schrijven die hier geweest zijn. Niks aan te doen.”

mailIcon print |