Oké, laten we eens aannemen dat de gereformeerde predikant Leen van Drimmelen met zijn achteraf bedrieglijk gebleken bekentenis: 'Ik ben een pedofiel', inderdaad geen andere bedoeling had dan zich te willen solidariseren 'met een groep medemensen die in deze tijd geen enkele mogelijkheid heeft om zich te uiten'. Dan nog rijst de vraag wat deze voortrekker van het Samen-op-Wegproces en docent aan de Vrije Universiteit in vredesnaam bezield kan hebben.
Echt begrijpen zullen we het vermoedelijk nooit. Voor mij tenminste viel hij lelijk door de mand in het interview met Trouw van gisteren en dan met name in het onthullend slot daarvan. Vraag: Mag de veroordeelde recreatiemedewerker uit het Grote Bos op uw kleinkinderen passen, dominee Van Drimmelen? Antwoord: 'Nee'. Noem het logisch voor iemand die zowel de pedofiel een warm hart toedraagt en tegelijkertijd ieder seksueel contact tussen een volwassene en een minderjarige 'uit den boze' acht. Maar eerder in het interview bleek die grens voor Van Drimmelen toch weer minder hard te zijn. In situaties als het initiatief van het kind uitgaat heet het ineens: “Als het gaat om een jongen van vijftien kun je geen 'nooit meer' zeggen.” En verderop zegt hij zelfs: “Bij grote honger is er geneigdheid tot stelen.”
Dat zal wel. Maar ondertussen bevestigt Van Drimmelen er maar een slag naar te slaan, wat in deze kwestie eigelijk niet kan. Pedofilie is een geaardheid, zoals hij zelf trouwens ook schrijft en dat betekent dat er in een dergelijke relatie ook sprake is van seksuele belangstelling, of op z'n minst van erotiek. De vraag die vervolgens rijst is in hoeverre een volwassene aan dergelijke gevoelens mag toegeven? Een beetje? Een flink beetje als het gaat om een wat fors uitgevallen jongen van twaalf of dertien? De vraag is Van Drimmelen niet gesteld, maar ik zou me kunnen voorstellen dat voor hem uiteindelijk de volwassenheid van de in het geding zijnde geslachtsdelen wel eens het doorslaggevende criterium zouden kunnen zijn.
Voor iemand die de pedofilie echt een gelijkwaardige plaats wil toekennen, zoals de homoseksualiteit, is dat geen probleem. Kennelijk is Van Drimmelens collega Huttenga zo iemand. Hij sprak tenminste in het interview over 'een schemergebied'. Hij ook zou er geen enkele moeite mee hebben als de veroordeelde recreatiewerker uit het Grote Bos op zijn kinderen zou passen. Moet kunnen, nietwaar? En dat schemergebied nemen we maar op de koop toe.
Van Drimmelen daarentegen gaf er met zijn onthullende 'nee' blijk van dat je kinderen in zo'n schemergebied bij nader inzien en ondanks zijn eerdere gesjoemel met grenzen toch maar beter niet aan hun lot kunt overlaten. Daarmee honoreerde hij, misschien wel tot zijn eigen verbazing, het algemene rechtsgevoelen dat er in zulke relaties sprake is te grote ongelijkheid en dat het om die reden voor de hand ligt seks met minderjarigen hoe dan ook te verbieden.
Des te onbegrijpelijker blijft het daarom dat deze Van Drimmelen zich op zo'n rare manier meende te moeten 'solidariseren' met pedofielen en hij zich ook nog voor het karretje van zijn collega Huttenga liet spannen. Mededogen is mooi, maar van een theoloog had je toch mogen verwachten dat dit mededogen zich in gelijke mate zou hebben uitgestrekt naar zowel de daders als de slachtoffers. Wat je hem kwalijk kunt nemen is dat hij leed van kinderen niet zag en zichzelf en anderen een rad voor ogen meende te moeten draaien tot hem in het interview de beslissende vraag werd gesteld.
Maar toen was het kwaad al geschied.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.