De expositie 'Willem de Kooning: Paintings' is t/m 7 mei te zien in de Tate Gallery, Millbank, Londen. cat. £ 19,95 (ca. ¿ 53,70). 'Willem de Kooning & Elaine Fried - Portret van een huwelijk' door Lee Hall, uitg. H.W. Becht in Bloemendaal, 308 blz, ¿ 49,90.
Om het hard te zeggen: Willem de Kooning is op sterven na dood. Bewaakt door zijn dochter Lisa, die elke trouwe vriend van vroeger - en dat zijn er nog altijd ontelbaren - bij haar vader weghoudt, leeft De Kooning als een vegeterend plantje. Schilderen doet hij niet meer, niemand weet sinds hoe lang. Op de Londense expositie dateert het meest recente doek uit 1986. Dat is in zo'n vreemde, van de late De Kooning afwijkende stijl gemaakt, dat er onmiddellijk vragen rijzen over de authenticiteit van dit werk.
De zaak, want zo kun je het langzamerhand wel noemen, heeft trekjes gekregen die doen denken aan de laatste periode van Salvador Dali's leven. Boze tongen beweren dat de late schilderijen in de Tate Gallery helemaal niet van De Kooning zijn, ook al dragen ze de signatuur van de meester. Zijn dochter zou, in een poging om veel werk van haar vader te erven, hem hebben geprest om zoveel mogelijk doeken van zijn handtekening te voorzien. Zo zouden de assistenten, die De Kooning trouwens altijd heeft gehad, nog heel wat werk kunnen (af)maken.
De Kooning is zich van dit alles niet bewust. Naar verluidt is hij al sinds de jaren tachtig dement. Als dat zo is, dan hoeft dat nog niet aan voortschrijdende ouderdom te worden toegeschreven. De Kooning had eerder flink last van zijn bijna permanente staat van dronkenschap, die afgewisseld werd met hardhandige ontwenningskuren, waar eveneens in de jaren tachtig een delirium tremens uit voortkwam. Chronologisch gezien lijkt het er veel op dat hij vanuit die staat dement werd.
Tentoonstellingen gaan zelden over zulke triviale zaken en ook de Tate doet dus geen moeite om daar enige helderheid in te verschaffen. Dat deed wel de Amerikaanse schrijfster Lee Hall die in haar biografie 'Willem de Kooning & Elaine Fried' een driehonderd pagina's lange opsomming van anekdotes uit het leven van de schilder geeft. Maar ook Hall wordt bij De Kooning weggehouden en heeft veel feiten uit haar boek uit de tweede, zo niet derde hand. Bovendien geeft het hoge sensatiegehalte in de biografie weinig aanleiding aan om haar bevindingen veel waarheidsgehalte toe te schrijven.
Waarom zijn die laatste doeken van Willem de Kooning zo'n vreemde eend in de verder zo kleurrijke bijt? De Kooning had zich sinds hij het thema van de vrouw had losgelaten, in de jaren vijftig aan de totale abstractie overgeven. Hij bleef soms in de landschappen een lichte verwijzing naar de vrouwelijke figuur maken, maar aan het einde van de jaren zeventig stapelde hij alleen kleurvlakken op en door elkaar. Ze waren met brede gestes geschilderd, kleur over kleur, met veel zwier, alsof een levenslustige schilder bezig was. Rond 1982-1983 begon De Kooning zich op alle manieren te beperken. Kleur werd gereduceerd, vorm werd, hoewel nog steeds zwierig, teruggebracht tot een beheerst heen- en weer halen van de kwast. De laatste schilderijen daarentegen zijn plotseling helemaal monochroom dichtgeschilderd, ze laten op uitgespaarde plekken alleen nog een één enkele andere kleur zien. Bovendien lost De Kooning in een aantal doeken ook platweg de vorm op door alleen nog maar contourlijnen aan te geven, in zoete kleurtjes die heel geparfumeerd afsteken tegen de verder zo witte ondergrond. Het resultaat is decoratief, spanningsloos en oppervlakkig, een altijd zo boeiend schilder als De Kooning onwaardig.
Het geeft een treurig gevoel om met een dergelijke finale afscheid van De Kooning te moeten nemen. De expositie in de Tate Gallery heeft toch al het karakter van een graftombe, 'kijk, hier ligt de grootste Amerikaanse schilder van de 20ste eeuw opgebaard', ook al leeft-ie nog even. Dan deed het Stedelijk Museum in Amsterdam het in 1983 beter. Het was een van de laatste exposities onder het directoraat van Edy de Wilde en ook een van de allerlaatste van De Kooning in Nederland. Hoewel hij lang Nederlander is gebleven (illegaal in New York verblijvend, werd hij pas in 1962 tot Amerikaan genaturaliseerd), heeft Nederland zijn werk nauwelijks gezien, met uitzondering van het Stedelijk en het Dordrechts Museum. De Wilde gaf aan de expositie de titel 'The North Atlantic Light' mee, een verwijzing naar een van De Koonings abstracte doeken die het Stedelijk had aangekocht.
Sinds De Kooning in 1961 van New York naar East Hampton verhuisde waar hij in een zelf ontworpen atelier zou gaan werken, ging hij zich onder die gewijzigde omstandigheden veel intenser met het gegeven licht in zijn doeken bezighouden. Was hij in New York een heuse stadsschilder die het nerveuze bestaan in een metropool vertaalde in even zenuwachtige voorstellingen, toen hij eenmaal in het volle daglicht stond spitste hij zijn werk meer toe op puur-essentiële schilderkunstige motieven. In East Hampton kreeg het werk een imponerende monumentaliteit, kon hij de hevigheid van de leegte ook beter aan. In dat verband mag het beroemde schilderij 'Rozevingerige dageraad bij Louse Point' uit 1965 uit het bezit van het Stedelijk in Amsterdam, als een waar sleutelstuk fungeren.
In de context waarin de Tate het werk nu plaatst, wordt duidelijk wat voor reus De Kooning toch in het schilderen is. De 'Rozevingerige dageraad' laat verschillende soorten geel zien, van dat van hem zo bekende taxigeel tot een vies soort beige. En er zit heel bleek roze in, van het soort dat vroeger op porseleinen popjes werd geschilderd. Maar de hoofdkleur is het volstrekte niets, een doorkijkje op wit, alsof het raam plotseling wordt opengezet en je alleen de helle zon inkijkt.
Er is veel gegist naar de aanleiding waarom De Kooning in zijn Newyorkse periode zijn hoofdmotief in de vrouwefiguur zocht. Vrij gemakkelijk is het om daarvoor De Koonings jeugd aan te grijpen. Als kind (hij werd in 1904 geboren) van Rotterdamse ouders had hij geen prettige jeugd. Moeder, die een havencafé dreef, had losse handen, waarmee ze de jonge Willem hard wist te treffen. Haar veelvuldige woede-uitvallen maakten hem bovendien bangelijk, vader bemoeide zich niet met hem. Het is een beeld dat overeenkomt met meer collega's uit De Koonings omgeving: ook Franz Kline en Jackson Pollock, die beiden tot het Amerikaanse abstract-expressionisme worden gerekend, hadden dominerende moeders die rebelse zoons kweekten. De Kooning stelde zijn ouders voor een voldongen feit toen hij in 1926 zonder daarover ook maar iets te vertellen, per schip naar Amerika vertrok. Pas in 1968 zou hij zijn moeder weer terug zien, toen hij ter gelegenheid van een tentoonstelling in Amsterdam was overgekomen. Moeder De Kooning had op haar verloren zoon gewacht; binnen een jaar stierf ze, 92 jaar oud.
De Kooning was een groot vrouweliefhebber, zo schrijft Lee Hall, die op elke pagina van haar biografie tuk is op sappige roddeltjes. Toen De Kooning eenmaal een gevierd kunstenaar was -en juist toen begon hij vrouwen te schilderen - verzamelde hij een groep van enige tientallen 'groupies' om zich heen die aan de lippen van de meester hingen en elke actie van hem mateloos bewonderden.
Toch zijn de vrouwen van De Kooning geen domme tutjes die zich willig naar de sponde laten leiden. Integendeel, hij schildert vrouwen als haaien, als monsters die schreeuwend en tierend boven hem staan. Ze worden van een laag standpunt uit bekeken, waarbij de kijker opbotst tegen planeetvormige buiken en schuitvormige borsten, overigens precies het ideaal dat de Amerikaanse man in die jaren ten opzichte van de vrouw koesterde. Maar de vrouwen van De Kooning zijn allerminst sexsymbolen. Ze ogen eerder als bloeddorstige tijgers, loerend op hun prooi om genadeloos toe te slaan. Dus toch dat moederbeeld? Later is De Kooning er nog eens naar gevraagd, wat hij in de jaren vijftig met dit vrouwetype voor had. Het antwoord was ontkennend: “De vrouwen waren in die tijd een mislukking. Ik zie nu de verschrikking in hun ogen, maar destijds bedoelde ik dat helemaal niet. Ik wilde dat ze er grappig uitzagen, maar het pakte anders uit.”
'Grappig', in het Engels funny, was het oordeel dat De Kooning aan al zijn vrouwen gaf. Over mannen liet hij zich nauwelijks uit, al heeft hij ze vaak geschilderd. Op de doeken die de Tate Gallery als opening van de expositie laat zien, zijn ze vreemd genoeg allemaal kaal en in hun armelijke kleren met veel te lange broeken lijken ze een pre-echo van kampbewoners, de beelden die na 1945 in de wereld kwamen. De Kooning had in de jaren dertig nog geen eigen stijl gevonden, je ziet hoe hij twijfelt tussen Picasso, Soutine en zelfs nog korte tijd met het kubisme bezig is. De komst van de surrealisten die in 1939-1940 voor de nazi's uit Europa vluchtten, liet in het werk van De Kooning zijn sporen na. Hij was daar niet de enige abstract-expressionist in: er loopt een directe lijn van het werk van André Breton, van Matta en Ernst naar dat van de Amerikanen als Pollock, De Kooning en Gorky.
Nog in 1946 schilderde De Kooning een sprookjesachtige droomwereld die typisch Europees was. Grootsteeds agressief werd zijn werk pas in 1948 toen De Kooning plotseling aan een serie doeken begon die uitsluitend uit zwart met wit als 'tekenende' vorm bestond. Het zou bij deze serie, die in 1949 al voorbij was, blijven, de meest sombere periode in De Koonings werk. Hij is dan al lang op zoek naar een nieuwe vorm van abstractie, waarin de vormen nauwelijks meer herkenbaar zijn. In dat verband is het gebruik van de vrouw als hoofdmotief aan het einde van de jaren veertig verrassend te noemen; het betekent immers een stap terug naar de figuratie. De vrouwen staan niet voor een bepaald type, het zijn, op hun gebied, meer ideaaltypes. Net als de mannen zijn ze aanvankelijk kaal (De Kooning zou later verklaren dat hij moest leren hoe hij haren kon schilderen), om tenslotte van imposante blonde pruiken te worden voorzien. Eén schilderij uit die tijd is wereldberoemd geworden. Het hangt nu, geleend uit het Museum of Modern Art in New York, op de Londense tentoonstelling en is heel prozaïsch 'Woman I' genoemd. Een 'bitch' oftewel een tang van een mens, dat haar ogen wijd open spert, net als haar mond die een hekwerk van ivoren wachters bloot legt.
Even abrupt als hij met de vrouwen begon, liet hij het thema vallen. Halverwege de jaren vijftig begon hij aan wat opnieuw een reeks werd, ditmaal met het stadslandschap als onderwerp. Op een enkele maal na, toen hij de vrouwefiguur met het landschap versmolt, had hij zijn onderwerp èn zijn eigen stijl gevonden: de abstracte schilder die nu, nog bij zijn leven, een legende is geworden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.