*

 
dossier

Archief

Hoeveel 'levensbeschouwing' past in christelijk hoger beroepsonderwijs?

T. M. KROON − 10/11/95, 00:00

De auteur is wijsgerig en historisch pedagoog en adviseert instellingen in het onderwijs en het jeugdwerk op het terrein van de identiteit. Aan het boek 'Visie als venster' wordt vandaag in Leeuwarden een congres gewijd.

Uit de hoek van het hoger beroepsonderwijs is deze week een publikatie verschenen die in de lijn ligt van de bovengenoemde aanbeveling: het boek 'Visie als venster' onder redactie van Siebren Miedema en Henk Vijver (uitg. Kok, Kampen). Deze publikatie bezingt in allerlei toonaarden de lof van wat op de meeste plaatsen levensbeschouwelijke vorming wordt genoemd, waarmee oriëntatie in waarden en normen bedoeld is. Beperkt de school zich tot 'feitenkennis', zo staat te lezen, dan geeft ze halfslachtig onderwijs, omdat de belangrijkste vragen, 'namelijk die naar de morele implicaties van ons kennen en handelen', niet aan de orde worden gesteld.

De minister en in zijn kielzog het Platform zullen blij zijn met deze bijdrage. Te meer omdat verspreid door deze publikatie heen door verscheidene auteurs aanbevelingen worden gedaan om binnen de school processen op gang te brengen om die vorming gestalte te geven.

Toch roept dit boek ook een aantal vragen op. In het voorwoord wordt uitgesproken dat het boek 'een inspirerende bijdrage wil bieden aan de bezinning op de identiteit van het christelijk hoger beroepsonderwijs.' Mijn eerste vraag is of voor zo'n bijdrage al niet veel eerder en prangender aanleiding bestond. Ik denk dan aan alle ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden sinds het in werking treden van de Wet op het HBO. Ik denk aan de fusies en interne herschikkingen, ook aan het op poten zetten van nieuwe studierichtingen en de vragen die dit met zich meebracht aangaande de samenstelling van het programma. Ik denk ook aan de reorganisaties in de lerarenopleidingen en aan de grotere invloed die het beroepenveld kreeg op de samenstelling van het onderwijsprogramma. Ik herinner mij ook hoe in 1987 de naam van een stichting voor hoger christelijk onderwijs ten behoeve van een fusie gewijzigd werd in een stichting voor 'protestants-christelijk en rooms-katholiek' onderwijs en de statutenwijziging die dit tot gevolg had.

Waarom dan nu pas een boek dat een bijdrage zou moeten leveren aan de discussie over de identiteit van het christelijk HBO? Van problemen op dit punt is in het verleden toch weinig gebleken? Of moeten de echte slagen nog vallen en staan de christelijke hogescholen voor een nieuw traject van schaalvergroting en heroriëntatie?

De suggestie dat dit laatste het geval is gaat uit van de bijdrage van Roel Steenbergen, voorzitter van het college van bestuur van de christelijke hogeschool Windesheim te Zwolle. Ook hij schaart zich in het koor van hen die de loftrompet steken op levensbeschouwelijke vorming, door hem waardencommunicatie genoemd. Ook hij beweert dat dit een wezenlijk onderdeel is van de identiteit. Hij stelt bovendien nadrukkelijk de vraag hoe het toch komt dat dit tot nu toe zo weinig van de grond is gekomen. Het antwoord zoekt hij in de besognes van de leiding. Tussen het werk van de docenten, die waarden zouden moeten overdragen, en het bestuur is er een te grote afstand gegroeid. Het bestuur is te veel gericht geweest op 'de belangenbehartigende rol', op de 'structuur- en machtsvraag'.

De oplossing die Steenbergen dan aandraagt, is om bestuurlijk voluit in te gaan spelen op het ontstaan van regionale verbanden. Geen bovenregionale machtsvorming meer, maar afstemming op de eigen regio. Wat de consequenties daarvan zijn voor het voortbestaan van de nog jonge Vereniging Federatie Christelijk HBO laat zich raden, een initiatief van de Besturenraad Protestants-Christelijk Onderwijs.

Relativisme

Een volgende vraag vloeit voort uit de manier waarop het karakteristieke van het christelijk HBO wordt omschreven. Dit karakteristieke zit 'm niet in de ethische vorming alleen, zo wordt met nadruk beweerd. Ook niet-christelijk onderwijs kan en zal dat geven. Christelijk betekent voor auteur Vijver dat men 'aanhaakt bij een godsdienstige traditie die getuigt van de waarde van mens en wereld'.

Alle auteurs onderschrijven een breed identiteitsconcept, dat wil zeggen dathet levensbeschouwelijk uitgangspunt het onderwijs en het beleid moet doordringen. Dit uitgangspunt moet zo worden geformuleerd 'dat mensen uit verschillende godsdienstige en levensbeschouwelijke tradities daarbij aan kunnen haken en met elkaar in gesprek kunnen raken.' Een christelijke hogeschool hoeft dus geen problemen te hebben met mensen die niet in God geloven, zo wordt dan ook gezegd. 'De mate waarin een levensbeschouwing (religieus of niet-religieus) werkelijk kiest voor het humanum, ofwel de ware menselijkheid, maakt die levensbeschouwing aanvaardbaar en respectabel.'

'Laat aan christelijk hoger onderwijs een markt van geloven en levensbeschouwingen ontstaan,' zo nodigt Vijver ons uit. En hierin staat hij niet alleen. Andere auteurs vallen hem bij en roepen op tot het verwerken in het leerplan van joodse, humanistische, New Age en islamitische bronnen!

Dat is toch even slikken. Hoe moet ik me de gevolgen daarvan voorstellen op al die onderwijsinstellingen, waar 'docenten getraind moeten worden om met die verschillende levensbeschouwingen aan de slag te gaan', zoals auteur Michel opgewekt voorstelt? Dat leidt tot verbrokkeling van vakinhouden, gefragmenteerde ethische vorming en non-beleid. Zo'n school gaat inderdaad gebukt onder 'permanent ethisch beraad' en een 'bepaalde mate van chaos'. Zo'n school nog christelijk te willen noemen (en deze term wil geen van de auteurs missen), ontgaat mij. Niet vanwege de chaos die wordt voorspeld, maar vanwege het relativisme.

Mijn conclusie is dan ook dat het al moeilijk genoeg is om in onze tijd duidelijk te krijgen waarin het kenmerkende van het christelijk onderwijs hem meer zit dan in para-kerkelijke activiteiten als de bijbelvertelling, het geestelijke lied en de viering van christelijke feestdagen. Waar in het HBO deze activiteiten niet meer vanzelfsprekend zijn loop je tegen grote problemen op als je enerzijds wil dat levensbeschouwelijke uitgangspunten doorwerken in het onderwijs en het beleid en anderzijds verschillende levensbeschouwingen een gelijkwaardige plaats wilt geven.

mailIcon print |