Is de samenleving te verbeteren door zoiets als een revolutie? In mei 1968 leek deze oude droom toch nog tot de reële mogelijkheden te behoren. Althans in de ogen van honderdduizenden Franse studenten en arbeiders, die plotseling eendrachtig in opstand waren gekomen. 'De verbeeldingskracht aan de macht!', was de leuze.
Aan de universiteit in Nanterre, een voorstad van Parijs, bezetten 142 studenten op 22 maart de bestuursgebouwen. Hun aanleiding: de arrestatie van enkele 'anti-imperialistische' studenten. Maar één van hen, Daniël Cohn- Bendit, verklaart achteraf dat dat een voorwendsel was. 'Eigenlijk hadden we gewoon onze buik vol van de gevestigde orde' ('In de ban van de revolutie, omzien naar de jaren '60', Dany Cohn- Bendit, uitg. van Gennep, 1986). Ook in Berlijn, Turijn en Rome demonstreerden studenten en arbeiders tegen het kapitalisme en het communisme, en ook in Amsterdam had het vrolijk gespookt, met Provo en verschillende linkse studentenbewegingen voorop.
Het is nu dertig jaar geleden dat deze beweging op haar hoogtepunt was. Cohn-Bendit, tegenwoordig een vooraanstaand politicus bij de Duitse Groenen, constateerde al tien jaar geleden dat de publieke opinie ten aanzien van de bovengenoemde gebeurtenissen in een merkwaardig dilemma verkeert. Enerzijds kijkt men cynisch terug naar de idealen van de revolutiekraaiers van destijds, anderzijds ontmoet hij overal warme sympathie voor de 'jaren zestig', die hij zo'n beetje belichaamt. Mij overkomt hetzelfde. Gaat het over 'de jaren zestig', dan steekt er niet zelden een aan verontwaardiging grenzende bevreemding de kop op, die mij dwingt uit te leggen dat toen niet iederéén met iedereen naar bed ging, dat er ook mensen waren die géén drugs gebruikten en dat er aan de universiteit wel degelijk ook gestudeerd werd; ook al was dat, vaker dan nu, uit maatschappij-kritische boeken. Aan de andere kant spreekt men met sympathie over de toen heersende betrokkenheid met het 'maatschappelijk engagement' en de creativiteit van de jongeren van toen. Nog onlangs zei minister Van Mierlo in een televisieprogramma dat de oorsprong van het Hollandse poldermodel bij de Provobeweging gezocht moet worden.
Ik kan niet een al te genuanceerd antwoord geven op de vraag waar de waarheid ligt. Net zoals Cohn-Bendit voel ik mij nog steeds verbonden met onze akties van toen, ook al ben ik dan nu geen anarchist meer, omdat ik inzie dat vraagstukken als grootscheepse vervuiling of terrorisme niet zonder staatsgezag in de hand gehouden kunnen worden. Toch vereenzelvig ik mij met de beweging voor meer democratie in de stad, in het onderwijs en in de staat. En ik voel nog evenveel afschuw van de regentencultuur als toen ik twintig was. Bepaalde elementen verouderen niet, net zomin als Mozart of The Beatles.
Ik denk ook dat het moeilijk te ontkennen is dat we het recht op inspraak, het referendum, de demonstratievrijheid, de staatkundige rechten van de burger zoals die in de Algemene Wet Bestuursrecht zijn neergelegd, te danken hebben aan de gevolgen van de impulsen uit die periode. Het alom beleden milieubesef? Het valt niet te ontkennen dat de revolutionairen uit de tweede helft van de jaren zestig daarin voorop gelopen hebben: of het nu om witte fietsen of biologische landbouw of waarschuwingen tegen kernenergie ging.
Maar is het begrip 'revolutie' al met al dan toch niet op z'n minst grootspraak gebleken, op het potsierlijke af? Of sterker, is de gedachte aan een snelle omwenteling, waarmee de ene klasse de andere zijn wil oplegt, niet een autoritaire greep naar de macht, die in strijd is met het bezongen ideaal van de vrijheid? Dat is precies de reden waarom de libertaire, op directe democratie gerichte beweging van 'mei '68' nooit enthousiast heeft kunnen zijn over Castro's Cuba of Ho Tjei Mins Vietnam. Het revolutionaire in het denken van Cohn-Bendit en zijn geestverwanten was de poging om tegenover het kapitalisme een alternatief te stellen, dat niet gebaseerd was op centralistische leiding en wapens. Ook het romantisch waas rond de communist Che Quevara hinderde mij. Provo's voorkeur voor de 'lieverevolutie', oftewel liever evolutie, was wel zo realistisch. 'De verbeelding aan de macht' betekent wel opstand tegen een autoritaire structuur, maar niet de vervanging ervan door het opleggen van een andere autoritaire heerschappij.
Dertig jaar later lijkt de gedachte aan een wereld zonder kapitalisme een illusie. In een rijk Europa lijkt dat stelsel nu sterker dan ooit. Maar is dat, in de confrontatie met hardnekkige problemen zoals werkloosheid en milieuverloedering, geen schijn? In heel Europa is, ondanks de toename van het aantal miljonairs, de bedelarij op straat teruggekeerd. Ook zolang het kapitalisme een schijnbaar onvermijdelijke realiteit is, heeft mei '68 actualiteit. De parlementaire democratie moet worden omgezet in dagelijkse deelneming in de maatschappelijke besluitvorming voor iedereen. De economie dient te worden aangepast aan de voorwaarden die de natuur stelt.
Structurele hervormingen horen, volgens mij, de motivatie voor linkse en eigenlijk elke serieuze politiek te zijn. De ontkenning daarvan, zoals bijvoorbeeld de PvdA-lijsttrekker in Amsterdam tegenover mij deed, toen hij me onlangs antwoordde dat 'goed besturen' in een afspiegelingscollege zijn uitsluitende doel is, zonder maatschappelijke verandering te beogen, lijkt mij een nederlaag voor het progressieve denken. Hoe kan men een voertuig met een dolgedraaide motor goed besturen zonder ingrijpende reparatie? De beweging van '68 heeft een lokkende toekomst.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.