Van een onzer verslaggevers AMSTERDAM, ARNHEM - De rechterlijke macht heeft het er bij laten zitten. Rechters hebben te weinig, te laat en te lankmoedig gereageerd op de wildgroei in opsporingsmethoden bij de georganiseerde criminaliteit. Eigenlijk is er maar één instantatie echt verantwoordelijk voor de diepe crisis in de opsporing: de zittende magistratuur.
In het vandaag verschijnende Nederlands Juristenblad uiten twee hoogleraren aan de Vrije Universiteit, dr. J. Naeyé (politierecht) en mr. T. M. Schalken (strafrecht) bittere verwijten aan het adres van de rechters. De hoogleraren verbazen zich erover dat bij de publiciteit rondom het rapport-Van Traa de rechters goeddeels buiten schot zijn gebleven. De enquêtecommissie vindt dat de rechter weliswaar te veel ruimte heeft gelaten aan politie en justitie, maar dat de fout vooral ligt bij de wetgever.
Naeyé en Schalken zien dat anders. “De rechter heeft decennia lang gewacht om opsporingsmethoden openlijk ter discussie te stellen. Daardoor is een verkeerde indruk van legitimatie gewekt.” Zij vinden dat veel erger dan het 'uit de bocht vliegen van een paar individuele CID-rechercheurs.' “De rechter had in zijn onafhankelijkheid redenen moeten vinden om, als hoogwaardig sluitstuk van de rechtshandhaving, extra kritisch te zijn en moeten aangeven dat de wetgever aan zet was.”
Naeyé en Schalken vermoeden dat er bij de rechterlijke macht sprake is van 'een mentaal verkeerd afgestelde antenne.' “Binnen de zittende magistratuur overheerst, ondanks alle werkelijk onafhankelijke geesten die er natuurlijk ook zijn, toch een mentaliteit van: Is het allemaal wel zo erg?” Rechters zouden vinden dat de politie nu eenmaal ruimte voor de misdaadbestrijding behoort te hebben en daarom willen ze niet moeilijk doen over punten en komma's. Deze denkwijze wordt volgens Naeyé en Schalken “helaas te vaak aangetroffen bij diegenen die nu juist worden geacht over de evenredigheid in de verhouding tussen doel en middel kritisch na te denken”, de rechters dus.
De coulante houding van de rechter was volgens Naeyé en Schalken nog het meest verwarrend voor het openbaar ministerie, dat zich voor zijn beleid op de rechtspraak pleegt te oriënteren. De rechter verzuimde normen te bieden “aan de instantie die enerzijds door een avontuurlijke politie - daarbij geholpen door de verhullende grootspraak van hun hoofdcommissarissen - op de hielen werd gezeten en anderzijds werd opgejaagd door politici, die nadat zij jarenlang de criminaliteit hadden verwaarloosd, plots in hun scoringsdrift over elkaar heen buitelden in hun strijd tegen de georganiseerde misdaad”.
Ambtelijk cynisme
Het bieden van normen, 'de levensader van de magistratuur, verdampte in het ambtelijk cynisme van de dagelijkse praktijk.' “Natuurlijk heeft het OM de rug niet recht gehouden, natuurlijk valt het de politici ernstig te verwijten dat zij niet tijdig nieuwe wetgeving hebben voorbereid, maar het signaal dat er iets aan de hand was had toch van de rechter moeten komen, zeker toen bleek dat de hele zaak politiek dreigde dol te draaien.”
Eerder deze week plaatste op de Podium-pagina van Trouw ook hoogleraar rechtspsychologie H. F. M. Crombag, verbonden aan de juridische faculteiten van de Rijksuniversiteit Limburg en de Universiteit Antwerpen, kanttekeningen bij de rol van de rechters. “Aan het disfunctioneren van de rechterlijke macht wordt door de commissie-Van Traa slechts terloops enige aandacht besteed.” Volgens Crombag is er maar één methode om een opsporingsonderzoek binnen de wet te houden: door rigoureus elk onrechtmatig verkregen bewijs uit de debatten te weren.
Maar: “De Nederlandse jurisprudentie op dit punt maakt het voor politie en OM niet onredelijk om met onrechtmatig verkregen bewijs een gokje te wagen. Goede kans dat de rechter het laat passeren. Protesteert de verdediging daar tegen, dan moet de rechter weliswaar motiveren waarom hij daaraan geen gehoor geeft, maar als het om motiveren gaat, zitten de meeste rechters niet om een mistige formulering verlegen.” Wie zo'n mistige formulering dan vervolgens op begrijpelijkheid laat toetsen, ontdekte dat aan het begrip van de Hoge Raad der Nederlanden nauwelijks grenzen zijn, aldus Crombag.
De Nederlandse vereniging voor rechtspraak (NVvR), de club van rechters, reageerde daags na het verschijnen van het rapport-Van Traa al: “Het ontbreekt de rechter op dit moment aan een wettelijk kader om opsporingshandelingen te kunnen toetsen. De rechter - en in laatste instantie de Hoge Raad - moet deze lacune daarom zo goed mogelijk opvullen en heeft dat ook gedaan.”
Maar Naeyé en Schalken zien dat dus anders. “Ik vind hun verwijten te makkelijk”, zegt voorzitter mr. L. R. van der Weij van de NVvR, president van het gerechtshof in Arnhem. “De zittende magistratuur is wel degelijk bezig geweest lijnen uit te zetten. Als de politiek de opsporing niet aan wettelijke regels bindt, moet de rechter dat doen. Maar dan gebeurt dat per geval. Het nadeel daarvan is dat het een verbrokkelde jurisprudentie oplevert, het duurt jaren voordat dat is uitgekristalliseerd.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.