Jacques Julliard en Michel Winock: Dictionnaire des intellectuels français; uitg, Seuil, Parijs; 295 francs (tot 1/1/97). Magazine Littéraire, jubileumnummer 'La passion des idées', 48 francs. Le Point, 2/11, 18 francs.
Het is ook maar hoe je 'intellectueel' definieert. De dictionnaire hanteert vrij strenge toelatingsnormen. Aan de Gaulle en Mitterrand bijvoorbeeld werd de entree ontzegd. Weliswaar schreven ze boeken en lieten zich - een hoofdcriterium - met de publieke zaak in, maar ze deden dat als politici, niet vanuit een onafhankelijke positie.
Het naslagwerk beperkt zich niet tot personen. Afzonderlijk in beeld komen eveneens affaires en thema's, alsook stromingen, instellingen, organisaties, uitgeverijen, kranten, tijdschriften en tv-programma's die de sloten, beekjes en rivieren vormen in het Franse intellectuele landschap van de twintigste en de late negentiende eeuw.
Ongenoemd blijft het Magazine Littéraire, opgericht in 1966. Dat is aardig noch billijk. Om zijn dertigjarig jubileum luister bij te zetten, heeft dit maandblad een extra-nummer uitgebracht met een 'boedelbeschrijving van het moderne denken'. Eenendertig medewerkers, van wie ettelijke de Dictionnaire wél hebben gehaald, lieten zich elk één jaar uit de periode 1966-1996 toewijzen. Ze becommentariëren een voor dat jaar kenschetsend bevonden persoon (van Baudrillard en Deleuze tot Sartre en Aron) of thema.
Bernard-Henry Lévy kreeg 1996 toebedeeld. Hij is - om de Dictionnaire te citeren - als intellectuel médiatique alomtegenwoordig op radio en tv. Typerend voor 1996 acht Lévy blijkbaar 'de terugkeer van de filosofie'. Helaas, constateert hij, is ze soft en bedaard geworden. Waar is de tijd gebleven dat ze de strijd aanbond met de macht van rechts en links, de tijd waarin 'de waarheid nog aanstoot gaf', zoals in de jaren zeventig? De schrijver zelf liet toen met enkele kompanen de nouvelle philosophie op de samenleving los. Althans op de kleine sector die haar kon volgen.
Over het beperkte bereik van die ideeën, trouwens van alle echte filosofie, zit Lévy niet in. Wijsgeren wandelen nu eenmaal in duisternis. Sommigen zouden hun publiek misschien wat meer kunnen bijlichten door iets eenvoudiger te schrijven, maar de kern van filosofische arbeid blijft per definitie obscuur.
Kortom, 'filosofie voor iedereen' bestaat niet. Lévy bestrijdt nog een paar misverstanden. De gedachte bijvoorbeeld dat wijsgeren de zieke mensheid zouden kunnen of moeten genezen. Zo'n therapeutische exercitie is alleen al onmogelijk omdat de mensheid niet zozeer ziek is als wel gedoemd tot het kwade. En de filosoof is er om dat enigszins duidelijk te maken.
Ook met hen die filosofie en religie over één kam scheren, heeft Lévy een appeltje te schillen. Hij ziet het als de opdracht van de godsdienst, “'zin' te geven aan een wereld die geen zin heeft”. Een wijsgeer die hetzelfde beproeft, verloochent zijn roeping.
Oog in oog met de dood, het lijden, het absolute kwaad, moorden en bloedbaden, heeft een mens de keus tussen twee standpunten, het ene godsdienstig, het andere filosofisch. Vanuit religieus gezichtspunt is het mogelijk, al valt het niet mee, om ergens achter al die barre ellende, die stofwolk van lijden, iets van een belofte te ontwaren. Een filosoof is dat niet gegeven. Hij kan, zonder zichzelf voor de gek te houden, nergens zin, troost of verlossing bespeuren. Voor hem is er geen andere keus dan wat zinloos is, te verhelderen en het inzicht te verdiepen in het onophefbare menselijk tekort.
WIE BETAALT PENSIOEN VOOR ONZE (KLEIN)KINDEREN?
De bevolking van Frankrijk zit daar in meerderheid denkelijk niet op te wachten. Haar wereld is zo al zorgwekkend genoeg. Volgens het opinieblad Le Point - waaraan Lévy een cultureel en politiek weekboek bijdraagt - zijn zeven van de tien Fransen ervan overtuigd dat hun pensioenstelsel naar de ratsmodee gaat. Voor hun kinderen en kleinkinderen, denken ze, zal de staat geen oudedagsvoorziening meer kunnen regelen.
Om die angst te begrijpen is het nuttig te weten dat - in het algemeen gesproken - Franse bejaarden meer dan Nederlandse afhankelijk zijn van pensioenen die volgens het omslagstelsel worden gefinancierd. Anders gezegd: hoeveel geld er in een gegeven periode voor pensioenen beschikbaar is, hangt er in sterke mate van af, hoeveel premie de werkende bevolking in diezelfde periode betaalt. Er wordt aan gewerkt om hier verandering in te brengen, maar hoge verwachtingen heeft Le Point er kennelijk niet van.
Tot voor kort verzekerden elke drie werkende Fransen één gepensioneerde van een fatsoenlijk geacht pensioen. In of kort na 2 000 zijn dat er nog maar twee. Twintig jaar later, wanneer de vergrijzing helemaal de spuigaten uitloopt, is de verhouding één op één, voorspelt Le Point. Wat dit voor de hoogte van hun pensioen betekent, kunnen de abonnees van een jaar of dertig aflezen uit tabellen-in-kleur. Een billijke bijkomstigheid is dat de rijken relatief zwaardere klappen oplopen dan de armen. In het algemeen geldt immers in Frankrijk dat het pensioenpercentage hoger is, naarmate de ontvanger in zijn werkende leven minder verdiende.
Le Point bespreekt een reeks penibele mogelijkheden om een debacle te voorkomen. De pensioenen verlagen, de premies verhogen, ouderen langer laten werken (een jaar of twaalf geleden bepaalde het kabinet-Mauroy de pensioengerechtigde leeftijd op 60 jaar), spaarsystemen van diverse snit bevorderen. Terloops noemt het blad ook een optie die je in Nederland zelden hoort bepleiten, en elders in Frankrijk trouwens evenmin: de immigratie bevorderen van buitenlanders die nog jaren van premiebetaling voor de boeg hebben.
Voor het geval de opgesomde maatregelen uitblijven of niet voldoende baat bieden, heeft Le Point nog deze aanvullende truc achter de hand: 'Keer de verhouding tussen de generaties om' en laat de gepensioneerden van nu, aan wie een royaal deel van de collectieve uitgaven toevloeit, meebetalen voor de pensioentrekkers van de toekomst.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.