Een half miljoen werklozen erbij in een maand: het Duitse kaartenhuis stort in, en het meest verbazingwekkende is nog dat dat zovelen verbaast.
Overmoedig geworden door de mythes van Duitslands economische kracht, heeft West-Duitsland de eenwording met Oost-Duitsland doorgevoerd zonder stil te staan bij de vraag of dat economisch allemaal wel kon. Om de Oost-Duitsers te 'helpen', werd eerst hun Oost-Duitse Monopolygeld tegen een sinterklaaskoers van 1 op 1 ingewisseld voor de harde D-mark. Toen bleek dat de Oost-Duitsers dan nog steeds te weinig verdienden om de West-Duitse prijzen te kunnen betalen, werden de lonen verveelvoudigd. Waarop bleek dat de oostlonen toch nog op de helft van de westlonen bleven steken, en de Oost-Duitsers daarom werd beloofd dat ze binnen een paar jaar westlonen zouden krijgen. Nota bene: daarmee sleepten de Oost-Duitsers een loonpeil in de wacht dat een vijfde hoger is dan in toch bepaald niet arme landen als Nederland, Frankrijk en België.
Nadat zo de welvaartskloof tussen oost en west per decreet was opgeheven, bleek dat de economie de nieuwe loonkosten niet aankon. Dat probleem dacht Bonn wel even op te lossen met een paar honderd miljard D-mark subsidie.
In de tussentijd deden de Polen en de Tsjechen het op eigen kracht. Een goedkope munt, dus in West-Europese ogen lage lonen maar ook lage prijzen, hielden deze landen concurrerend zonder dat de bevolking verarmde. Ze kregen geen West-Europese inkomens, maar die hadden ze ook niet nodig, want de West-Europese prijzen bleven hun bespaard. Inmiddels exporteren ze zich suf, in Polen en Tsjechië; de werkloosheid is er laag en de welvaart neemt toe, langzaam maar gestaag. Wie zei ook al weer dat de Oost-Duitsers geluk hadden met zo'n rijke broer? Ook al werd de catastrofe die de overhaaste invoering van West-Duitse lonen en prijzen betekende, voor de Oost-Duitse economie al in 1991 zichtbaar, toch hebben velen zich nog jaren zand in de ogen laten strooien door de indrukwekkende hoeveelheid hijskranen en nieuwe snelwegen in het oosten van Duitsland. Maar dat was allemaal West-Duitse liefdadigheid. Nu is het zo ver gekomen dat elke tweede mark die in de Oost-Duitse deelstaten wordt uitgegeven, afkomstig is van West-Duitse overdrachten, in totaal zo'n 150 miljard D-mark per jaar.
Die enorme bedragen worden nauwelijks geïnvesteerd. Het meeste gaat op aan consumptie. Dat zal wel zo blijven ook, want zicht op eigen inkomensbronnen hebben de Oost-Duitsers niet. Geen ondernemer investeert uit zichzelf in het nieuwe Duitse oosten. Waarom zou je ook? Wil je een hoogwaardig bedrijf beginnen, kun je beter in West-Duitsland gaan zitten: even duur maar met een voorsprong in kennis. Wil je een laagtechnologisch bedrijf opzetten dat op prijs concurreert, kun je beter naar Tsjechië gaan: een fractie van de kosten in Oost-Duitsland. De enige ondernemers die in Oost-Duitsland investeren, zijn autodealers, supermarkten en andere detailhandelsbedrijven die ter plaatse de kunstmatige koopkracht komen afromen.
Met bananen en D-marken hebben de Oost-Duitsers zich het hoofd op hol laten brengen. Nu zitten ze in een moeras waar ze niet meer uitkomen. Ook voor West-Duitsland is de schade groot. Terwijl Nederland zijn te grote aantal van uitkeringen afhankelijke mensen terugdrong, trok Bonn enthousiast zijn portemonnee om in één klap zestien miljoen mensen afhankelijk te maken van permanente inkomenssteun.
Wonderlijk dat Europa's economische grootmacht geregeerd wordt zonder verstand van economie.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.