*

 
dossier

Archief

Kathakali is even onbegrijpelijk als mooi

KEES BROERE − 06/01/96, 00:00

KOVALAM - Verzet is zinloos, uiteindelijk moet iedereen eraan geloven. Zogenaamd om van het gezeur af te zijn, maar in werkelijkheid omdat het water al uren uit de mond liep. En dus vlijt de verkoopster zich naast de badgast neer. De mand verhuist van het hoofd naar haar schoot. Zij trekt haar mes en begint haar culinaire kapwerk. Ananas, papaya, kokosnoot: waarom er niet eerder om gevraagd?

Het strand van Kovalam, een plaats in het tropische zuidwesten van India, heeft zijn eigen ritme. De Indiase en westerse toeristen verplaatsen er zich in een rechte lijn tussen hun vriendelijke hotel en de soms woeste golven van een lauwe Arabische Zee. De dorpsbewoners kiezen een route die daar haaks op staat, langs de vloedlijn. Het is het pad van de verkopers van vruchten, luchtige sjaals en badmatjes.

Na een paar dagen kent men elkaar. En niemand kent haast. Wat voor Kovalam geldt, geldt ook voor Kerala, de deelstaat waarvan de badplaats een van de vele attracties is. Hier wuift het leven door de ontelbare hoeveelheden palmbomen, de juweelgroene rijstvelden en de maanbeschenen branding. 'Het land van de kokosnoot', zo luidt de vertaling van Kerala. Een poster in het toeristenbureau houdt het op 'Gods eigen land'.

Kerala is anders. Dat geldt voor zijn landschap, dat geldt ook voor zijn inwoners. Waar elders in India sociale onrechtvaardigheid de nederige maatstaf lijkt te zijn, zijn de bewoners van Kerala trots op de maatschappelijke successen die er zijn behaald. Bijna iedereen kan er lezen en schrijven, in de ziekenhuizen kunnen ook de armeren terecht en kinderarbeid is meer uitzondering dan regel.

Typisch genoeg is het sociale succes nauwelijks vertaald in economische vooruitgang. Als de natuur Kerala niet zo genadig zou zijn geweest, zou de deelstaat nog veel meer problemen kennen. Nu vindt een behoorlijk deel van de bevolking emplooi in de toeristensector. Zoals in Kovalam, waar de vissers nog altijd in hun minuscule bootjes de zee op trekken, maar steeds meer mensen aan de kant blijven om de gasten te verwelkomen.

GEEN BADPAK Veel is er niet te beleven, precies genoeg dus voor de Indiër of westerling die op de eerste plaats uit is op ontspanning. De witte lijven zoeken met hun surfplanken de hoogste golven. De bruine lijven blijven deels onzichtbaar onder de 'salwar kameez', de typisch Indiase dracht van mannen en vrouwen, die tot hun enkels in het water gaan om zich vervolgens lachend achterover te laten vallen. Nog steeds gekleed, maar o la la...

Een enkele Indiër durft een badpak aan. Zoals de gespierde man die op het strand een soms ingetogen, soms uitzinnige dans uitvoert. Hij blijkt doofstom. Zijn sierlijke bewegingen zijn de groet die hij brengt aan zowel de tijdelijke gasten als de eeuwige zee. Als 's avonds de eerste stralen van de vuurtoren over het strand glijden, raapt hij zijn kleren bij elkaar, om vervolgens op te lossen in de palmenwouden achter de kust.

Het is tijd om naar Hotel Neptune te gaan.

EEUWENOUD Ook daar wordt gedanst, drie keer per week. Het zijn voorstellingen van 'kathakali', de eeuwenoude kunstvorm die in Kerala een nog steeds zeer bloeiend bestaan leidt, en dat niet alleen voor de toeristen. Kathakali is een schouwspel dat even onbegrijpelijk als mooi is. Voor een paar gulden is het te volgen, al vanaf het moment waarop de dansers zich opmaken.

Kathakali is een mengeling van toneel, dans en krijgskunst. Iedere voorstelling biedt een andere scène uit bijvoorbeeld de oudste Indiase vertellingen, zoals de Ramayana en de Mahabharata. De dansers zijn allen mannen, ook voor de vrouwenrollen. Wie een kathakali-danser wil worden, moet rekenen op een opleiding van minstens zes jaar. En op een uurtje of drie voorafgaand aan de voorstelling, nodig voor de opmaak.

Twee mannen zitten op de grond. Met een klein spiegeltje voor het gezicht brengen zij zelf zorgvuldig de schmink aan. Rood voor de lippen, groen voor de wangen, zwart rond de ogen. Op de wangen van een van de dansers zitten al de vreemde witte flappen, die nog het meest aan kieuwen doen denken. Ook de kledingstukken komen een voor een te voorschijn. Enorme hoepelrokken, reusachtige oorbellen; alles in de felste kleuren.

Een van de mannen speelt vanavond een vrouwelijke demon. Zijn gezicht is al zwart, rond zijn bovenlichaam worden de borsten geknoopt. Ferm vooruitgestoken, de zangeres Madonna kan er van leren. De andere danser prevelt een gebed. Hij maakt zich op voor wat ook letterlijk het hoogtepunt van zijn uitmonstering wordt, een hoofddeksel dat een kruising is tussen een puntmuts en een mijter, maar verder op niets dan zichzelf lijkt.

OOGBOLLEN Het publiek en de dansers begeven zich naar het dakterras van het hotel. Tussen het geluid van de drums en de bellen geeft iemand uitleg over enkele fundamentele gezichtsexpressies. 'Verliefdheid. Moed. Verbazing.' De zwarte oogbollen van de danser rollen in zijn kassen, als olijven in de olie. Hij doet vervolgens een lotus-bloem na. Een olifant. En meteen daarop, net zo gemakkelijk, een bij op zoek naar honing.

Het was alles nog maar de aanloop. De werkelijke dans duurt zo'n drie kwartier. Stampen, schreeuwen, dansen. Geen van de aanwezige westerse gasten lijkt veel benul te hebben van wat hier wordt voorgetoverd. Niemand die daar problemen mee heeft. Vergeet termen als 'elegantie', hier zijn oerkrachten aan het werk. Het enthousiasme van de dansende en roffelende mannen doet niet onder voor hun professionaliteit.

De demon sterft, precies zoals het hoort. Einde verhaal, kom zeker nog eens terug, en willen die twee mensen die nog niet betaald hebben dat alsnog even doen. Het publiek stroomt de trap af, op zoek weer naar de zee. Daar immers zwommen vandaag de vissen die nu gapend liggen te wachten op de hongerige klanten van Kovalam. Diner bij maanlicht. Uitzicht op de branding. En verder niets meer te wensen.

mailIcon print |