*

 
dossier

Archief

Samen-op-weg zo moeilijk als samen in de luchtvaart

GERARD DEKKER − 04/01/94, 00:00

De vraag naar de hervormde bereidheid, aan het proces van Samen op Weg mee te doen - de fusie met de gereformeerde kerken en de evangelisch-lutherse kerk -, is weer actueel nu de stichting Nerac een enquete houdt onder hervormde gemeenten. Nerac wil aantonen dat het meerendeel van de hervormden niet samen op weg willen. Godsdienstsocioloog Gerard Dekker (Vrije Universiteit) gaat na of de uitkomsten van het Kaski-onderzoek naar de bereidheid tot fusie begin oktober wel goed zijn geinterpreteerd.

Er is hier meer aan de hand dan het verschil in bewering dat de fles half vol danwel half leeg is. Mensen hebben er belang bij het een of het ander te beweren. Is men een voorstander van het Samen-op-Weg proces, dan leest men in het rapport, dat op verzoek van de verschillende kerken door het onderzoeksbureau Kaski is geschreven, dat er al bijna overal samenwerking tussen de kerken is. Verzet men zich tegen een fusie van de kerken, dan wordt men door het rapport bevestigd in de mening dat het met die samenwerking nog niet veel gedaan is.

Met andere woorden: beide partijen trekken - heel gebruikelijk overigens - de resultaten van het onderzoek naar zich toe en gebruiken ze als argumenten in de strijd. En dan is er nu een nieuwe enquete, waarmee de stichting Nerac wil aantonen dat de hervormde bereidheid tot samenwerking geringer is dan de voorstanders van Samen op Weg op grond van het Kaski-rapport willen doen geloven.

Deze meningsverschillen maakten mij nieuwsgierig genoeg om het Kaski-rapport op te vragen ten einde te zien wat er nu eigenlijk van de verschillende beweringen waar is.

Om maar met de deur in huis te vallen: de indruk die het hele rapport bij mij achterlaat is nu niet bepaald positief voor het Samen-op-Weg proces. Er is veel minder samenwerking tussen de verschillende kerken dan velen zouden wensen en de perspectieven op een intensievere samenwerking zijn veel minder goed dan voor een goed lopend samenwerkingsproces nodig lijkt.

De meest opvallende cijfers van het rapport zijn al vaak genoemd: van de hervormde gemeenten zegt 34 procent geen samenwerking te hebben, 42 procent heeft enige samenwerking en 24 procent verregaande samenwerking. Voor de gereformeerde kerken zijn die percentages respectievelijk 11, 56 en 34. Over de cijfers voor de gereformeerde kerken maakt niemand zich zorgen.

Is die 34 procent van de hervormde gemeenten die geen samenwerking met de andere kerken zou hebben hoog of laag? En betrouwbaar?

Ondervertegenwoordigd

Statistisch gezien is dit percentage waarschijnlijk nog aan de lage kant. In de eerste plaats omdat de kerken uit de provincies waarin verhoudingsgewijs weinig wordt samengewerkt minder aan het onderzoek hebben deelgenomen dan kerken in provincies waarin veel wordt samengewerkt. Het rapport zelf zegt daarom dat het niet uitgesloten is dat in het onderzoek de hervormde (wijk)gemeenten zonder Samen op weg-samenwerking ondervertegenwoordigd zijn.

In de tweede plaats is het niet onbelangrijk dat gemeenten met geen of geringe samenwerking gemiddeld groter zijn dan de gemeenten met meer samenwerking. Let men dus niet op het aantal gemeenten, maar op het aantal hervormde kerkleden dat bij het wel of niet samenwerken betrokken is, dan stijgt het percentage van geen samenwerking volgens mijn (aan de lage kant gehouden) berekening tot 37.

Maar, zo luidt een tegen-argument, in veel van de genoemde gemeenten (42 procent) is geen samenwerking, omdat een samenwerkingspartner ontbreekt. Het zou dus geen onwil, maar onmacht zijn. Ook daar zijn kanttekeningen bij te maken. Het is de vraag of dit altijd de echte reden is. In ieder geval niet altijd de enige reden: het rapport vermeldt dat volgens de opgave van sommige gemeenten zelf het ontbreken van een samenwerkingspartner samengaat met andere redenen, zoals modaliteitsverschillen. Niet voor niets geven meer hervormde dan gereformeerde gemeenten op dat er een geringere bereidheid tot samenwerking bij de eigen gemeente is. Het is evenmin zonder betekenis dat eenderde van de gereformeerde kerken als reden voor het ontbreken van samenwerking een gebrek aan bereidheid bij de andere gemeente opgeeft. Uit het rapport blijkt dat rond 70 procent van deze gemeenten (ook) andere redenen dan het ontbreken van een samenwerkingspartner opgeeft.

Dit betekent dat meer dan een kwart van alle hervormden niet bereid is samen te werken met anderen. Bovendien verwachten de bijbehorende gemeenten de komende jaren geen begin van samenwerking met een gereformeerde kerk.

En hoe ligt het bij de andere hervormde gemeenten? Naast de gemeenten (24 procent) die verregaande samenwerken, is er de 'grijze zone' van gemeenten (42 procent) die spreken van 'enige samenwerking'. Grijs, omdat dit van alles in kan houden, maar in feite vermoedelijk bij de meeste van die gemeenten niet zoveel betekent. Om wat te noemen: in bijna de helft van die gemeenten zijn er geen gezamenlijke kerkeraadsvergaderingen, in ruim de helft is er geen gezamenlijke catechese of groothuisbezoek (persoonlijk huisbezoek in 90 procent van de gevallen niet) of samenwerking op het gebied van de zending, in tweederde van de gevallen is er geen samenwerking op een zo'n praktisch terrein als het diaconaat en in rond 90 procent van de gevallen is er geen samenwerking met betrekking tot geldwerving, (gebouwen)beheer en financiele administratie! Ik kan er geen andere conclusie uit trekken dan dat het in de meeste gevallen om een slechts tot enkele terreinen beperkte samenwerking gaat. 75 procent van deze gemeenten geeft dan ook knelpunten aan in de samenwerking met de gereformeerden, waarbij de modaliteits-en mentaliteitsverschillen een belangrijke plaats innemen.

Bijbelgordel

Het verzet tegen samenwerking - het blijkt ook weer uit dit onderzoek - komt vooral uit de kring van de Gereformeerde bond in de hervormde kerk. De minste samenwerking is er in de provincies die liggen in de Nederlandse bijbelgordel: Zeeland, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland. Relatief veel samenwerking is er in de meer vrijzinnige streken ten noorden van die gordel en in de overwegend katholieke streken ten zuiden daarvan. Dit blijft voor het Samen-op-Weg proces een belangrijk gegeven. Enerzijds omdat binnen die bijbelgordel de kerkelijke participatie relatief het hoogst is (als we dus letten op de actieve kerkleden dan is het deel dat niet bij enige vorm van samenwerking betrokken is nog veel groter dan een kwart). En anderzijds omdat het niet onwaarschijnlijk is dat het financieel potentieel van de kerk zich voor een belangrijk deel daar bevindt. Als men daarbij bedenkt welke redenen voor het ontbreken van samenwerking soms opgegeven wordt ('De beginselen liggen mijlen ver uit elkaar.' en: 'Het verschil in modaliteit is zo groot dat er van samenwerking totaal geen sprake zou kunnen zijn. Herkenningspunten zijn er totaal niet te vinden.'), dan kan men moeilijk optimistisch over een toekomstige samenwerking blijven denken.

Als binnen een kwantitatief en kwalitatief zo'n belangrijk deel van de kerkelijke gemeenten samenwerking niet op gang komt en ook geen grote kans heeft, dan moet dat toch iets (of veel?) zeggen over het wel of niet welslagen van een fusieproces. De KLM en Swiss Air (om maar een voorbeeld te noemen) laten om minder belangrijke redenen een poging tot samenwerking afketsen. Moet men in de kerken - vanuit het geloof - inderdaad de feitelijkheden niet zo zwaar laten wegen en dus maar hopen/geloven dat het hier wel zal lukken?

Of zou het, ook in de kerken, zo toch niet werken?

mailIcon print |