*

 
dossier

Archief

D66 in het midden van het speelveld van milieu en economie

DR. MICHEL VAN HULTEN − 03/10/97, 00:00

Op de dag dat D66 zijn ontwerp-verkiezingsprogramma presenteerde (27 september), bevatte Podium een artikel van een lid van de programmacommissie van D66, dr. Rob J. Mulder, econoom, over het kernpunt van de hedendaagse politiek, namelijk de samenhang en strijdigheid van milieu en economie. Een artikel dat uitmondt in de conclusie dat het 'in ieder geval geen serieuze optie is het milieu te willen redden door de economie om zeep te helpen.' Alsof het 'om zeep helpen van de economie' een serieuze optie is voor al diegenen die vanuit economische en/of ecologische inzichten ernstig bezorgd zijn over onze wijze van omgaan met onze door natuur en mensen gemaakte leefomgeving, ons wonen, werken, ons geld verdienen en geld uitgeven. Is zijn slotconclusie wellicht wat tendentieus?

Met de titel die Mulder zelf aan zijn artikel had meegegeven, 'Milieu èn economie!', gaf hij een keuze aan. Een keuze die overigens volstrekt identiek is aan die van het kabinet. Mulder zegt uitdrukkelijk in te stemmen met de eerste zin van de kabinetsnota 'Milieu en economie': 'Economische groei en vermindering van de milieudruk kunnen heel goed samengaan.' Hiermee bepaalt hij zijn opstelling recht tegenover die van vele economen en ecologen die zeggen dat dit niet kan.

Bij die laatsten is dit gebaseerd op wetenschappelijke inzichten; de mening van ons kabinet is uiteraard gebaseerd op politieke keuzen. Het is in dit verband tenminste opmerkelijk te noemen dat het kabinet wel als doel stelt een economische groei van 3 procent per jaar te bereiken (en in navolging hiervan noemt D66 dit in zijn ontwerp-verkiezingsprogramma een 'ambitieniveau'), maar dat het kabinet verzuimt een even algemeen percentage te noemen voor de verlichting van de milieudruk. Op dat punt wordt kennelijk een doelstelling niet nodig geacht.

Mulder ondertekent zijn artikel met de toevoeging 'op persoonlijke titel'. Dat slaat dan uiteraard niet zozeer op zijn ambtelijke functie - hij schrijft immers hetzelfde op als zijn minister reeds deed - als wel op zijn eveneens aangegeven lidmaatschap van de programmacommissie (PC) van D66. Het is zijn goed recht om de mening te verwoorden die hij herhaaldelijk in die commissie ook verdedigd heeft. Die mening heeft het daar echter niet 'gewonnen' en die indruk wordt gewekt door zijn artikel.

Dat hij het vraagstuk van 'milieu en economie' aan de orde stelt is uitstekend. Alle leden van de PC denken dat op het raakvlak van die beide begrippen de essentie ligt van de problemen met betrekking tot onze toekomst op lange termijn en van onze verantwoordelijkheid voor onszelf, ons eigen nageslacht, de ons omringende natuur en voor alle andere mensen op de gehele aarde. Juist omdat wij technisch en economisch steeds meer kunnen, moeten we meer en meer leren maat te houden, ook als dat onze kortetermijn belangen schaadt.

Ik denk dat deze problematiek van samenhang en strijdigheid van milieu en economie alle politieke partijen bezighoudt. Ik vermoed dat vanuit hun aard partijen als de PvdA en de VVD meer op de economie georiënteerd zijn ('werk, werk, werk', respectievelijk 'ondernemingsvrijheid') en dat het CDA ('rentmeesterschap') extra gewicht zal toekennen aan de waarde van de door God geschapen mensen en natuur en daarom sterker milieu-gericht zal zijn. Zoals op zoveel andere terreinen bevindt D66 zich in het midden van het speelveld. Als geen andere partij zijn wij daarom genoodzaakt ons af te vragen hoe economie en milieu met elkaar te verzoenen.

In de programmacommissie zijn wij tot het inzicht gekomen, zoals zovelen voor ons en met ons, dat de woorden 'economische groei' niet ongeclausuleerd gebruikt kunnen worden. Niet alle economische groei verdraagt zich met handhaving of terugwinnen van milieukwaliteit. Het gaat om duurzame economische groei, om een economie waarin werkelijk gemaakte kosten, bijvoorbeeld door uitputting van grondstoffen, vervuiling van water, bodem en lucht, van ongevallen in het verkeer en in productieprocessen, van uitbuiting van armere en zwakkere landen en economieën enz., worden doorberekend in de prijzen. Dan zullen allerlei prijzen stijgen, en dit zal zijn effect hebben op de vraag. Groeicijfers gaan er dan heel anders uitzien.

Alle discussies die in de PC gevoerd zijn kunnen hier niet samengevat, laat staan herhaald worden. Belangrijk is dat de PC zich verenigd heeft op een essentiële zin die in het openingshoofdstuk van het verkiezingsprogramma staat en die luidt: 'Niet de milieunormen die voor de economie het beste uitkomen, moeten gelden, maar de normen die voor het milieu noodzakelijk zijn.' Deze stelling is in 1994 in het toenmalige verkiezingsprogramma, bij wijze van amendement tijdens het congres, opgenomen met een grote meerderheid van stemmen en wordt nu herhaald als 'grondwet' voor het huidige programma.

Tevens hebben wij vastgesteld dat D66 drie uitgangspunten onderschrijft: 'Gebruik van voedsel- en grondstofvoorraden mag het natuurlijk hersteltempo niet overtreffen. Gebruik van niet vernieuwde voorraden mag niet sneller gaan dan het tempo waarin vervangingsmogelijkheden beschikbaar komen. Uitstoot van vervuilende stoffen mag de verwerkingscapaciteit van de natuur niet te boven gaan.'

Natuurlijk zijn we er niet in geslaagd voor de volgende kabinetsperiode die uitgangspunten volledig te vertalen in programmapunten. Het veranderen van onze economie kost meer tijd dan vier jaar. Onze voorstellen strekken tot het beginnen met veranderingen om op de duur deze doelstellingen te kunnen bereiken. Maar wie die grondstellingen onderschrijft, kan niet verdedigen dat milieu en een ongeclausuleerde economie samen kunnen gaan. Die weet dat dat alleen voor bepaalde economische sectoren en in bepaalde omstandigheden opgaat. De volgende regering tot die noodzakelijke veranderingen te brengen zou het doel moeten zijn voor elke op de toekomst gerichte politieke partij. Ik hoop dat D66 daaraan meewerkt.

mailIcon print |