T/m 9 maart in het Stedelijk Museum in Amsterdam, dag. 11-17 uur. Als catalogus dient de speciale jubileumkrant.
Dat alles in een onnavolgbare mix van lolligheid, voordat er maar sprake was van het begrip camp, van serieuze mail-art en kunstenaarsstatements. De jaren '60 waren weliswaar al afgeschaft, maar toen de eerste leden van de Enschedese School hun project opzetten, echoden de ideeën van die periode nog onverkort door hun werk. Het was de geest van Fluxus, verwant aan Wim T. Schippers; 'Neem ons niet al te serieus, maar pik wel de humor op', had een uitspraak van die eerste deelnemers van de School kunnen zijn. Ze hebben het later niet tot bekende namen gebracht: Kees Maas, Frans Oosterhof, Dingenus van de Vrie, Rose-Marie Gerritsen, Willem Wisselink en Johan Visser, met als spilfiguur AKI-docent Geert Voskamp. Waarschijnlijk ligt dat aan het feit dat ze zichzelf zijn gebleven. Dat wil zeggen, sommigen van hen werken eigenlijk nog altijd in de marge van het kunstgebeuren, of gingen wat anders doen.
Zo'n jaren-'60-idee was ook de wijze waarop ze de kunst wilden democratiseren. De Enschedese School maakte werk in oplage, meestal van een paar honderd stuks, dat abonnees konden aanschaffen. Wie zich opgaf, kreeg voor een redelijke prijs per post ('Postbode, s.v.p. niet vouwen of knakkken, dit pakket bevat kunst' stond er ernstig op de doos gedrukt) een klein object, een soms nietig voorwerp dat desalniettemin de tongen losmaakte, het hart beroerde.
Wie zijn abonnement lang genoeg aanhield, kreeg op den duur een fraaie kunstcollectie, die beslist een plaatsje verdiende in de huiskamervitrine. Omdat het systeem van verzendkunst zich alleen op particulieren richtte, zijn zij het die de kleine presentatie in het Stedelijk hebben gemaakt. Met een air van nonchalance (maar niet van onverschilligheid) zijn de voorwerpen in stalen rekken neergelegd, alsof ze opnieuw vanuit een depot verkocht kunnen worden.
Zo zie je Gerrit de Wilde's 'Racewagen' in dertigvoud van de stellingen razen, en hangt de 'Oh Gevleugelde Verfkwast' er in even grote aantallen. Op deze wijze heeft de abonnee ze nooit bij elkaar gezien. Die dacht natuurlijk toch met wat stille hoop een uniek object te hebben gekregen. Teruggebracht tot de oplage waarin ze waren gemaakt, is het plotseling pop-art-kunst geworden. De kwaliteit is niet vergelijkbaar met die van Warhol, maar het doet wel allemaal erg nostalgisch aan. Dit soort objecten kun je toch niet wegdenken uit het beeld van een inmiddels verdwenen samenleving, en dat maakt ze tegelijk museaal, ook al hadden de musea er geen belangstelling voor.
De Enschedese School was de laatste jaren op sterven na dood. De expositie in het Stedelijk (die later naar het Rijksmuseum Twenthe gaat, in de thuisbasis Enschede dus, van waaruit de meeste initiatieven werden gepleegd voordat de School in de jaren '80 naar Amsterdam werd overgebracht) hebben de deelnemers echter nog één keer tot grote hoogte gedreven. Niet als waardig afscheid, maar als een poging om de beste ideeën die de School had, nog een keer te laten herleven, is een jubileumkrant uitgebracht. Het blad draagt, zoals het een eerbiedwaaridge krant betaamt, een motto: 'Ex Oriente Lux', oftwel 'In het oosten daagt het licht'. Eén zin uit een interview met Frans Oosterhof zegt alles over wat de Enschedese School tenslotte nog heeft gedreven: “Weet je welk beeld ik het mooiste vind? Deze. Een foto, vier veegjes. C'est ça. Nada mas. Klaar.” De Enschede School? Over en sluiten maar.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.