Onlangs is een delegatie van Nederlandse parlementariërs en kerkelijke functionarissen enkele dagen op bezoek geweest in Rwanda, om met eigen ogen te zien hoe het er nu in dat land voorstaat. Verklaringen van (leden van) de delegatie na terugkeer hebben de woede gewekt van A. Morreau, oud-medewerker van de zending in Rwanda.
Volgens radio en krant waren de leden diep onder de indruk van de vooruitgang in economie en leven van het Rwanda van vandaag. Ds. Vissinga vertelde ons dat er nog veel hulp nodig was om het land verder op te bouwen. De laatste zin in het bericht in Trouw waarin de persverklaring van de delegatie werd weergegeven, luidde: “Wel reageert het leger van in meerderheid Tutsi's 'te hard' op acties van extremistische Hutu's vanuit Zaïre. Daarbij worden de mensenrechten geschonden, stelt de delegatie spijtig vast.”
Zo, stel ik me voor, moeten christelijke organisaties en kerken gereageerd hebben als ze in Duitsland tussen 1933 en 1938 gingen kijken. Verblind door economische vooruitgang en verbeterde orde. Geconstateerd werd dan wel dat het niet zo best gesteld was met de mensenrechten, maar dat was het dan. En natuurlijk zijn economische vooruitgang en orde in de samenleving belangrijke zaken als het gaat om het lijden van burgers te verminderen, maar daar mag onze observatie nooit bij blijven steken.
Eerst heel in het kort enkele historische feiten. In 1990 trekt een leger van jonge Tutsi-militairen, afkomstig uit de Oegandese landmacht en voorzien van Oegandese wapenen, het buurland Rwanda binnen om daar een meer dan 30 jaar lang gekoesterde wens (nl. het Tutsi-bewind opnieuw te vestigen) te realiseren. Het vroegere Tutsi-bewind was nl. bij democratische verkiezingen in 1961 weggestemd. Er breekt in 1990 een vreselijke oorlog uit met honderdduizenden vluchtende burgers, die naar het midden van het land trekken om bescherming. Na vier jaar harde strijd lukt het aan het Tutsi-leger de macht over te nemen en het Rwandese leger op de vlucht te jagen.
In die vier jaar is er heel veel gebeurd, te veel om hier in het kort te vermelden. Het voornaamste feit is wel dat de burgerbevolking onvoorstelbaar zware offers heeft moeten brengen. Duizenden onschuldige burgers werden door het binnendringende Tutsi-leger afgeslacht. Het Rwandese bewind van president Habyarimana zag op den duur geen kans zich het Tutsi-leger van het lijf te houden. Vooral sinds 1988 kreeg het bewind van Habyarimana steeds meer militaire en absolutistische trekjes. Corruptie en machtswellust vierden hoogtij. Ondragelijke lasten om de oorlog te betalen, samen met scherp dalende exportopbrengsten werkten die corruptie in de hand.
Om zich staande te houden werd door dit bewind de bevolking opgezweept om eindelijk af te rekenen met die gehate Tutsi's. Daarvan werden primair het slachtoffer die Tutsi's die al in Rwanda woonden. De oorlog liep uit op een vreselijk bloedbad, culminerend in de genocide van april-mei 1994.
Berechting
Over de aanstichters van de genocide valt geen goed woord te zeggen. Het is meer dan triest dat er nog steeds geen echt begin gemaakt is met hun berechting door het internationale gerechtshof. Wel denk ik dat we niet moeten vergeten dat de hoofdoorzaak van de genocide ligt bij de inval van 1990. Als die inval niet had plaatsgevonden, was het nooit zo ver gekomen.
De vertraging van de berechting wordt niet alleen veroorzaakt door gebrek aan geld van de internationale gemeenschap, maar ook door belemmeringen die het huidige militaire regime in Kigali opwerpt. Een van de twistpunten is de begindatum. Het militaire regime in Kigali wil als begindatum april-mei 1994, terwijl de internationale gemeenschap lijkt vast te willen houden aan oorlogsmisdaden die begaan zijn vanaf 1990. Als dat gebeurt worden ook de oorlogsmisdaden van het Tutsi-leger aan de kaak gesteld. En daar zit het bewind bepaald niet op te wachten.
Onlangs bracht Amnesty International een onthutsend rapport uit over de schendingen van de mensenrechten in Rwanda. Burgers worden van hun bed gelicht en gevangen gezet. Zonder berechting en op vage aanklachten dat ze aan de genocide hebben deelgenomen. Sinds 1994 zijn er door het huidige militaire regime meer dan 75 000 mensen gevangengezet en duizenden verdwijningen zijn geconstateerd. Nota bene ministers en juristen uit dat militaire regime die gevlucht zijn na 1994 omdat ze deze aanpak en dit overwicht van de militairen niet meer konden accepteren, spreken over deze moordpartijen.
Maar in Europa wordt niet naar hen geluisterd. Nog sterker, onze minister van ontwikkelingssamenwerking financiert een gevangenisbouw in Rwanda, opdat nog meer bewoners van dat land opgesloten kunnen worden. Het waren er voorheen 45 000 en intussen zijn het er 75 000 geworden. En de delegatie op bezoek stelt met spijt vast dat het niet zo best gesteld is met de mensenrechten in Rwanda.
Meedogenloos
We moeten ons goed realiseren dat er in het huidige Rwanda een meedogenloze strijd aan de gang is van Tutsi-militairen (het gaat hier om militairen die voortkomen uit een minderheid van de bevolking van Centraal-Afrika), om de absolute macht in handen te krijgen zowel in Burundi als in Rwanda. Daar wordt ook een duidelijke strategie bij gevolgd. Uit alle macht proberen een vriendelijke en gematigde indruk te maken naar het buitenland toe, opdat je zo in het binnenland je gang kunt gaan. En Tutsi's zijn meesters in het bespelen van de buitenlandse publieke opinie. De minister van ontwikkelingshulp is daar duidelijk het slachtoffer van. Hij gaat vriendschappelijk om met de militaire machthebbers, zelfs toen na een 'bedrijfsongeval' in Kibeho er 3 000 slachtoffers onder de burgerbevolking vielen.
Maar ook de kerken in Nederland (en daarbij heb ik het met name over de gereformeerde kerken) die van oorsprong zulke nauwe banden met Rwanda onderhouden, dreigen er met open ogen in te tuinen.
Ds. Vissinga sprak in een kort woord voor de radio de vraag uit in hoeverre de kerk in Rwanda wel voldoende een profetische getuigenis afgaf in de huidige tijd en ook vroeger tijdens het oude regime. Natuurlijk heeft hij daar gelijk in, maar mijn vraag is in hoeverre de kerken in Nederland een profetische getuigenis afgeven vandaag. Heeft u ooit gehoord van een kerkelijke boodschap aan onze minister en aan de autoriteiten in Rwanda om bezorgdheid uit te spreken over de schendingen van de mensenrechten?
De huidige voorzitter van de Rwandese presbyteriaanse kerk is een duidelijke discipel van het militaire regime in Kigali. Hij heeft toegang tot de allerhoogste militaire kringen. Mijn indruk is dat men in Nederland niet anders doet dan het gedrag van de militairen goedpraten en de kerkelijke voorzitter in Kigali te vriend houden. En dat terwijl de kerk hier toch moet weten hoe gevaarlijk een innige relatie tussen kerk en militair regime is.
Intussen zitten er duizenden onschuldigen, onder wie honderden presbyteriaanse kerkleden, in de gevangenis, zijn er onnoemelijk velen die elke dag opnieuw zich angstig afvragen of ze ook vandaag wel uit de handen van dit regime kunnen blijven.
En de kerk in Nederland zwijgt, en de kerk in Rwanda zoekt bescherming bij het regime, en met elkaar bergen we alle gesproken en geschreven getuigenissen over schendingen van mensenrechten in Rwanda maar diep weg. En als we er wel over praten, dan is er altijd wel weer iemand die zegt dat het natuurlijk wel erg is, maar dat het vroeger nog veel erger was. In april-mei 1994. Alsof je schendingen van mensenrechten tegen elkaar kunt wegstrepen. Moet dan dit regime ook eerst ongeveer een miljoen slachtoffers gemaakt hebben voordat we zijn schendingen echt serieus gaan nemen?
Nee, we praten er maar liever over hoe we onder de indruk zijn van de vooruitgang in het land. Dat is wel zo veilig, dan worden ons geen visa geweigerd, als we het land willen bezoeken. Want, stel je voor dat ons dat geweigerd zou worden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.