JERUZALEM - Het ontwerp voor het interim-verdrag over Israëls terugtrekking uit de westelijke Jordaanoever is nog niet eens opgesteld, of kopstukken uit beide partijen hebben het al fel bekritiseerd.
Vooralsnog behelst het niet meer dan een reeks afspraken tussen de Palestijnse leider Jasser Arafat en de Israëlische minister van buitenlandse zaken Sjimon Peres. Toch is er meer kritiek op dan op de intentieverklaring van Oslo van 1993 en het akkoord van Cairo over Israëls terugtrekking uit de Gazastrook en Jericho in 1994.
Kern van de afspraken is dat, zodra het verdrag is getekend, het Israëlische leger vertrekt uit vier Palestijnse steden: Djenin, Nabloes, Toelkarm en Kalkilia - alle in het noorden van de westelijke Jordaanoever. Daarna moet de terugtrekking uit Ramallah en Bethlehem - noordelijk en zuidelijk van Jeruzalem - volgen. En wel zodra de Israëlische kolonisten kunnen reizen over de wegen die om die steden heen leiden. Een groter probleem is de terugtrekking uit Hebron, waar 415 kolonisten wonen. Daarover zal apart worden onderhandeld.
Het gehele platteland van de westelijke Jordaanoever - inclusief de Israëlische nederzettingen, Palestijnse dorpen en zo'n 40 procent van de grond, die onbewoond is en te boek staat als staatsland - blijft onder controle van het Israëlisch leger. Terwijl Palestijns burgerbestuur zal gelden in de dorpen en Palestijnse politie verantwoordelijk zal zijn voor het handhaven van de openbare orde, zoals het arresteren van misdadigers en het oplossen van geschillen tussen burgers.
Enige weken na de terugtrekking uit de eerste vier steden volgen verkiezingen voor de Palestijnse Raad en voor het hoofd van het Palestijnse gezag. De tweede fase van de terugtrekking - ook uit andere delen van het platteland, maar niet uit de Israëlische nederzettingen - moet medio 1997 voltooid zijn. Dat is ongeveer zes maanden nadat er nationale verkiezingen zijn gehouden in Israël. Tegen die tijd zijn Jitschak Rabin en zijn centrum-linkse regering mogelijk niet langer aan het bewind waardoor ze hun afspraken niet kunnen nakomen.
Dat gevaar was niet de enige reden voor zure Palestijnse reacties. De kritiek was niet zozeer afkomstig van de oppositiebewegingen Hamas en islamitische Djihad alswel van Arafats eigen getrouwen. Een van hen is dr. Ahmad Tibi, politiek adviseur van voorzitter Arafat maar niet betrokken bij de marathongesprekken eind juni. Boos zei hij dat iedereen die denkt dat er verkiezingen worden gehouden nadat de Israëliërs zich uit maar vier steden hebben teruggetrokken, een misrekening maakt.
Tijdens een intern beraad van ministers van de Arbeiderspartij sprak Peres over de te verwachten teleurstelling van de Palestijnen, zodra ze beseffen dat ze maar controle krijgen over achttien procent van het land op de westelijke Jordaanoever. Prompt reageerde de Jeruzalemse leider Feisal Hoesseini met een oproep aan de Palestijnse onderhandelaars om “Peres' uitspraak serieus te nemen en niet toe te staan dat het verdrag wordt getekend”.
Israëlische leiders lijken evenmin blij. Dat de voorzitter van de Likoed, Benjamin Netanjahoe, het voorgestelde verdrag zou omschrijven als “de zoveelste knieval voor Arafat” lag voor de hand. Maar premier Rabin zelf gaf in een interview met The New York Times te kennen dat hij de gevoelens van veel Israëliërs deelde dat het Palestijnse leiderschap noch de capaciteit noch de wens heeft het terrorisme aan te pakken. Hij voegde daar op de Israëlische tv aan toe dat hij geen garanties kon geven dat het interim-verdrag de Israëlische veiligheid zou vergroten.
De openlijke tweeslachtigheid van Rabin over de nog te tekenen overeenkomst - èn over eerdere overeenkomsten met de Palestijnen - heeft een belangrijke rol gespeeld bij het temperen van het enthousiasme voor het vredesbeleid van zijn eigen regering. Rabin gaf ook de aanzet tot een debat over de economische gevolgen van het (voorlopige) handhaven van de nederzettingen. En dat in een land waar het ongepast is om te spreken over de kosten van het beschermen van mensenlevens. De premier klaagde over het enorme bedrag vereist voor het beveiligen van de 145 000 kolonisten op de westelijke Jordaanoever, zodra het leger zich daar terugtrekt. Schattingen lopen uiteen van een half tot meer dan een miljard gulden gulden per jaar (voor de duur van het interim-verdrag), nodig voor verplaatsing van legerbases, asfaltering van rondwegen, veiligheidshekken rondom nederzettingen en militaire escortes voor kolonisten. Dat alles komt nog eens bovenop de kwart miljard die de terugtrekking uit de Gazastrook en Jericho heeft gekost.
Enige tijd terug bezocht Rabin twee kleine, afgelegen nederzettingen bij Djenin. Na afloop meldde hij dat de kosten voor het beschermen van de dertig families in elk van die nederzettingen oplopen tot het ongelooflijke bedrag van vier ton per familie. Toch heeft Rabin er herhaaldelijk op gehamerd dat geen enkele nederzetting, hoe klein of afgelegen ook, zal worden afgebroken of verplaatst in de periode van het interim-verdrag. Critici vinden dat de premier, als hij geen nederzettingen wil afbreken, ook niet moeilijk moet doen over de kosten om ze te beschermen.
Weer andere commentatoren, zoals de redacteur defensiezaken van het dagblad Ha'arets, Ze'ev Schiff, wijzen op de ironie van de situatie. De uiteindelijke begunstigden van een groot deel van de uitgaven voor de veiligheid van de kolonisten - zoals de nieuwe wegen - zullen volgens hem de Palestijnen zijn, zodra het grootste deel van de westelijke Jordaanoever is overgedragen aan hun bestuur.
Hoewel het debat over de toekomst van de westelijke Jordaanoever nog steeds veeleer is gericht op veiligheid dan op economische vraagstukken, raken de Israëliërs er langzaam van doordrongen dat de kosten van het interim-verdrag de economie zwaar zullen belasten. De schatkist voert een eenzaam gevecht om de begrotingseisen van leger, politie en veiligheidsdiensten te beperken. Zij vreest volgens Schiff dat “de uitgaven voor de vrede Israël bankroet zullen maken”.
Naarmate de tijd verstrijkt en de belastingbetalers de gevolgen ondervinden van het uitstel van elke beslissing over de toekomst van de westelijke Jordaanoever, zal er steeds meer aandacht komen voor de vraag hoeveel geld het kost om nederzettingen te beveiligen die misschien op korte termijn zullen verdwijnen.
De maatstaven veranderen. Mogelijk is het nog ongepast om te praten over het prijskaartje dat hangt aan veiligheid. Maar steeds meer mensen beseffen dat een sterke economie óók een wezenlijk onderdeel is van nationale veiligheid en dat niemand zich kan veroorloven goed geld naar kwaad geld te gooien.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.