*

 
dossier

Archief

Nieuwe FNV Bondgenoten kan vakcentrale buitenspel zetten

ESTHER BIJLO − 29/01/98, 00:00

AMSTERDAM - Het eerste voorbeeld dat de vandaag fuserende FNV-bonden hun eigen vakcentrale bijna overbodig maken, diende zich vorige week al aan. FNV-voorzitter Lodewijk de Waal, representant van de vakcentrale, had gezegd dat zieke werknemers voorrang mogen krijgen om de lange wachtlijsten in ziekenhuizen te omzeilen. Toen bleek dat verreweg de twee grootste bonden, de Abvakabo en de vandaag op te richten Bondgenoten, daar mordicus tegen zijn, moest De Waal terugkrabbelen. “Een tijdelijke noodgreep”, heette het plots, en “niet de gewenste oplossing voor de lange termijn”.

Voor arbeidssocioloog en vakbondskenner Jelle Visser is het voorval exemplarisch voor de lastige positie waarin de vakcentrale terechtkomt. Door de fusie vandaag van de industriebond, de dienstenbond, de vervoersbond en de voedingsbond ontstaan binnen de FNV twee kolossen. FNV Bondgenoten, met 500 000 leden, en de overheidsbond Abvakabo, met 330 000 leden, steken met kop en schouders boven de andere, veel kleinere bonden uit. Bovendien is de Abvakabo van plan binnen een jaar met de bond voor gemeenteambtenaren Novon te fuseren en een federatie te vormen met de Aob (onderwijs) en de NPB (politie). Dat maakt het overheidsblok krap 450 000 leden groot.

“De vakcentrale krijgt steeds minder in de melk te brokkelen”, denkt Visser, werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam. “Het ligt nu voor de hand dat de overgebleven marktbonden zich op den duur bij Bondgenoten aansluiten en de overheidsbonden bij de Abvakabo. Wat is er dan nog te doen voor de vakcentrale?” Goed, de club van De Waal kan de FNV vertegenwoordigen in overlegorganen als de Sociaal-economische Raad en wat strategische lijnen uitzetten. Maar daarvoor zijn geen vijfhonderd mensen - die nu bij de centrale werken - en een zwaar bestuur nodig.

De toekomst van de grootste Nederlandse vakbeweging is geen populair onderwerp in FNV-kringen, is de ervaring van Visser. “Men vermijdt dat de discussie daarover gaat. Iedereen wil de verhoudingen goed houden, ook met de kleinere bonden. De fusiebonden hebben allemaal plechtig verklaard dat ze de FNV niet willen opblazen. Maar ik moet het nog zien over een paar jaar als de twee grote bonden zich afvragen wat ze eigenlijk terugkrijgen voor de 15 tot 18 procent van de contributie die ze aan de centrale afdragen. Ze kunnen immers vrijwel alles zelf doen.” Vissers conclusie: “Ze weten het gewoon niet. Komt tijd, komt raad.”

Het wekt dan ook geen verbazing dat de belangrijkste reden voor de fusie van de vier bonden geen ideologische is, maar een praktische: geld. Pogingen van de FNV om de organisatie van bovenaf te veranderen, zijn in het verleden gestrand. Eind jaren tachtig kwam het plan FNV 2000 op tafel om het verlies aan leden te stoppen. Maar discussies over samenvoegen van bonden of het vormen van één grote FNV waarbij leden rechtstreeks lid zijn van de vakcentrale, liepen op niets uit.

“Deze fusie is van onderop totstandgekomen. Door economische druk”, constateert Visser. “Het is puur een kwestie van geld. Daarmee is dat overigens nog geen slechte reden.” De socioloog vergelijkt de vakbondsfusie met het samengaan van de banken ABN en Amro een aantal jaren geleden. Daardoor zijn twee kantorennetten in elkaar geschoven en kwam er meer geld vrij voor diensten aan de steeds veeleisender klant. Bij de bonden gaat het net zo. De vestigingen van de vier gaan op in zeven regiokantoren en zeventig servicepunten voor de leden. Daarnaast hebben ze samen met de bouw- en houtbond een apart dienstenbedrijf, FNV Diensten, in het leven geroepen. Die moet aan de almaar toenemende vraag van de leden naar bijvoorbeeld juridische bijstand voldoen.

Van de bankachtige fusie moet vooral de dienstenbond profiteren. Juist voor die bond was het instandhouden van een kantorennet - van cruciaal belang voor contact met de leden - te duur. Visser: “In die sector werken zo'n twee miljoen mensen in meer dan 120 000 bedrijven. Hoe bedien je die met een bondje van 100 000 leden? Dat is onmogelijk. De dienstenbond kon nog geen deuk in een pakje boter slaan.”

De armlastige dienstenbond kan vanaf nu het geld van de rijke industriebond gebruiken om het ledental in de sector flink omhoog te jagen. Noodzakelijk om in de toekomst het ledental van de FNV op peil te houden, maar wel kostbaar omdat veel bedrijven in de branche geen enkele vakbondstraditie hebben.

Visser denkt dat de nieuwe megabond daar succes kan boeken. “Met goede campagnes en dienstverlening, zoals adviezen aan flexibele krachten, moet dat kunnen. Toen een paar jaar geleden IBM in moeilijkheden kwam, zijn er toch leden bij gekomen terwijl het helemaal niet gebruikelijk was bij IBM om lid van een bond te zijn. En bij de banken is de organisatiegraad in korte tijd omhoog gegaan van rond de 9 procent naar 25 procent.”

Door de economische noodzaak om samen te gaan, is de fusie van de vier bonden relatief gemakkelijk totstandgekomen. Onder de dwingende leiding van de industriebond is er vaart achter gezet. Weliswaar staat het personeel van de bonden niet in alle gevallen te juichen.

Van sommmige werknemers zijn er na de fusie drie te veel en die moeten iets anders te doen krijgen. Maar verder verliep zelfs de samenstelling van het nieuwe bestuur vrij geruisloos. Alle vier de bloedgroepen hebben netjes hun zetels gekregen.

Uitgerekend een geldkwestie lokte op het laatste moment nog wel urenlange discussies uit. De bondsraad - het ledenparlement - van de industriebond verzette zich met hand en tand tegen aantasting van de jubileumuitkeringen voor leden. Wie 65 wordt of lang lid is, kan een aardig bedragje tegemoet zien. Andere bonden zijn kariger en dus zou de fusiebond in de toekomst ook wat minder scheutig zijn, was het voorstel. Onder het motto 'niet aan verworven rechten komen' kreeg de bondsraad het plan van tafel. Extra kosten: 1,5 tot 2 miljoen gulden. “De kwestie had symbolische betekenis”, meent Visser. “Voor een aantal mensen is het misschien toch iets te snel gegaan.”

mailIcon print |