Ik zie hem zelden, maar als hij tevoorschijn komt kijkt hij bijna altijd kwaad. Er is niemand die bij hem in de buurt mag komen, hij heeft een haast onneembaar bastion van stekelig slecht humeur om zich heen gebouwd. Jong, blond en mager. Zijn haar is verstrikt als een onontwarbaar vogelnest, zijn baard ziet er net zo warrig uit. Hij draagt vuile, kleurloze kleren en loopt altijd op kousenvoeten, op zijn tenen, misschien in de hoop dat hij dan onzichtbaar zal zijn.
We zitten de halve dag te praten, koffie te drinken en te roken bij het enige raam dat de afdeling rijk is. Ook Henri komt er soms bij staan. De ene peuk steekt hij met de andere aan, en ondertussen luistert hij met afgewend gelaat naar alle onzin die wij tegen elkaar zeggen. Maar als iemand het woord tot hem richt draait hij zich beledigd om en beent weg. Op zijn sokken.
Op onbewaakte momenten schemert zijn verlangen naar gezelschap door het doolhof van boosheid en somberheid heen. Stil schuift hij aan bij de tafel waar geklaverjast wordt, en zolang er niet van hem verwacht wordt dat hij zich in het gesprek mengt, blijft hij. Of hij speelt een potje schaak, waar hij enorm goed in is. Een spel waarbij je niet hoeft te praten met je tegenstander.
Henri komt niet goed uit zijn woorden, en daarom zegt hij maar liever niks. Pas midden in de nacht, als hij zich onbespied waant en niet vermoedt dat ik aan het eind van de gang zit te luisteren, hoor ik hem. Niet praten; zingen. Hij zit op de grond, zijn armen om zijn opgetrokken knieën geslagen en zijn hoofd gebogen. Melancholieke melodietjes, hese woorden. You are all alone, fluistert hij. Dan zucht hij en legt zijn hoofd achterover tegen de muur - en ziet mij. Woedend springt hij op en verdwijnt in zijn kamer.
Er zijn van die weken dat Henri kwijt is. Zomaar op zondagavond gaat hij wandelen en komt niet terug. Het kan maandag zijn, of dinsdag, of nog later, dat hij terugkomt, maar hij kijkt alsof hij pas echt verdwaald is op het moment dat hij de kliniek heeft teruggevonden. Niemand heeft enig idee waar hij al die tijd is geweest, en niemand vraagt ernaar. Het is goed dat hij er weer is, en daar worden geen woorden aan vuil gemaakt.
Vrolijker wordt hij niet van zijn uitstapjes. Hij kruipt alleen maar meer in zijn schulp. Schaken doet hij nog wel, maar met een verbeten trek om zijn mond, en als hij verliest (zelden) smijt hij zijn koning in het kartonnen doosje en kijkt niet meer om. Hij verlaat het slagveld, het zinkende schip.
Dit keer is het een woensdag dat hij verdwijnt. Tussen de lunch en het avondeten sluipt hij de voordeur uit. De mensen die hem zien gaan zeggen geen gedag, en hij zegt natuurlijk ook niets. Het is koud buiten, het is november en 's nachts vriest het. Maar Henri komt niet terug, niet woensdagnacht, niet donderdag of donderdagnacht. Vrijdagmiddag komt er een politieagent de afdeling op, en het is niet eens een verrassing wat hij komt melden. Henri is uit zee gevist, en is dood.
Het is een schaduw die we zullen missen in ons midden. Hoelang, hoe vaak heeft hij aan deze uitweg gedacht, geprobeerd misschien? Hoelang was hij eigenlijk al niet meer bij ons? Hoelang zal ik me zijn gezicht nog kunnen herinneren?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.