*

 
dossier

Archief

DIALOOG IS ZENDING (8)

MARIJKE VERDUYN − 11/02/98, 00:00

Dick Mulder groeide op in 'de gereformeerde zuil'. Hij koestert geen enkele rancune. Zijn vader nam het grootste deel van de opvoeding voor zijn rekening - zijn moeder was betrekkelijk vroeg overleden - en was 'een byzonder vrolijk christen en een heel leuke man'.

Toch ziet hij achteraf ook een aantal 'bevrijdingsmomenten' van de gereformeerde zede in zijn leven. Op zijn zestiende deed hij eindexamen gymnasium en ging hij studeren. “In een gereformeerd gezin werd dan al snel gedacht aan theologie of rechten. Omdat ik nog zo jong was, volgde ik beide studies.” In 1941 deed hij doctoraal rechten. Maar hij had inmiddels besloten door te gaan in de theologie en deed vervolgens kandidaats theologie en promoveerde in de filosofie.

“Midden in de oorlog werd me gevraagd of ik in de zending wilde. Professor Bavinck gaf een voorbereidingscursus zendingswerk: andere godsdiensten, geschiedenis van de zending, Javaans, later Indonesisch, islam, hindoeïsme, boeddhisme, Javaanse cultuur. De zending was in die jaren nog volledig gericht op Indonesië.”

Hij slaagde voor het zendingsexamen en werd eind 1945 bevestigd als predikant voor de zending op Midden-Java. Maar hij kon er niet naar toe, vanwege Soekarno en de zijnen. Daarom kreeg hij het aanbod anderhalf jaar de islam te bestuderen in India. “Dat was goed gezien: de christenen op Midden-Java leefden midden in een islamitische wereld en hadden predikanten nodig die de islam kenden.”

In 1949 promoveerde hij in de filosofie. In december van dat jaar erkende Nederland de onafhankelijkheid van Indonesië. Korte tijd later kon het gezin Mulder afreizen naar Jogja. Hij was er de enige Nederlander en het vertrek van de Nederlandse militairen uit Djokja een jaar tevoren werd net feestelijk herdacht. Maar hij kon er goed werken. “Terwijl wij nog tientallen jaren wrok koesterden tegenover de Duitsers, kon men daar personen en politiek onderscheiden. Er was een man wiens zoon was geexecuteerd door de Nederlanders. Hij had op de grafsteen laten zetten: Mij komt de wrake toe, ik zal het vergelden. Maar hij was vriendelijk tegen mij. Ik kwam om zijn kerk te helpen.”

Mulder doceerde aan de theologische academie in Jogjakarta en later aan de theologische hogeschool in Djakarta. “Er was behoefte aan docenten. Zending werd vooral bedreven via de school en het ziekenhuis. Het werk van de Nederlanders was - al voor de Tweede Wereldoorlog - de begeleiding van Javaanse predikanten en evangelisten. De christelijke kerk was in Indonesië heel klein. Maar de Javanen waren tolerant op geloofsgebied. Ze zeiden: je kunt beter een goed christen zijn dan een slecht moslim. De kerken stonden een tijdlang onder de verdenking pro-Nederlands te zijn, maar in de vrijheidsstrijd hadden ze zich zeer ingezet, waardoor die verdenking wegviel. In 1957 moesten alle Nederlanders weg uit Indonesië, maar zending en missie mocht blijven.”

In Indonesië bevrijdde hij zich op een aantal fronten van het geloof der vaderen. “In de loop van de jaren had ik begrepen dat de bijbel een gecompliceerd boek is. Het was een bevrijding de bijbel niet meer te hoeven zien als van kaft tot kaft Gods Woord.” Zijn ervaringen in Indonesië versterkten hem nog in die gedachte. “De koran is voor het overgrote deel van de moslims het Woord van God. Moslims zien vanuit dat perspectief in de bijbel allerlei innerlijke tegenstrijdigheden. Vanuit een fundamentalistische bijbelbeschouwing kunnen christenen zich daar moeilijk tegen verdedigen. Wel vanuit een vrije Schriftopvatting: de eigenlijke openbaring is niet een boek, maar Gods optrekken met Israël, Zijn verschijnen in Jezus.”

Dan was er de bevrijding van de gedachte dat er geen heil is voor mensen die Jezus Christus niet hebben gekend. “Als je daar op Java de tientallen miljoenen moslims zag, van wie een groot deel in straatarme omstandigheden verkeerde. . . Ik kon het idee dat die allemaal afgeschreven waren voor het heil van God, niet meer accepteren. Dat verlost je van de kramp: ik moet ze de kerk zien in te krijgen, anders gaan ze verloren.” Hij was vaak in gesprek met moslims. Dat was betrekkelijk uitzonderlijk, de Javaanse kerken deden dat niet of nauwelijks. Hij werd zelfs uitgenodigd filosofie te doceren aan de islamitische school. Maar de minister stond dat niet toe: het is niet erg dat hij christen is, het is ook niet erg dat hij een Nederlander is, maar hij is zendeling en daarom mag het niet.

Maar langzamerhand kwam naast de zending de dialoog in het blikveld. Gelijkwaardig, wederzijds getuigen. “Het belangrijkste doel van de dialoog is om de negatieve kant van de religie te overwinnen. Allerlei conflicten in de wereld zijn op zich niet religieus, maar religie is er wel olie op het vuur. Zending is het vertellen van het verhaal van de bijbel en dienst aan de mensen. Dat heeft de zending ook altijd gedaan: medische hulp, armoedebestrijding.” Dat kon weer leiden tot de beschuldiging: jullie hebben onze armoede en zwakheid misbruikt om zielen te winnen. “Dus moet je proberen de ander te dienen en dat niet te misbruiken om zielen te winnen. Zending neemt door de eeuwen heen steeds nieuwe vormen aan en op het ogenblik zou de dialoog en het stichten van vrede tussen religies wel eens de voornaamste vorm van zending kunnen zijn.”

Een probleem in de praktijk is een zeker wantrouwen. “Zoals een hindoe wel eens zei: vroeger zeiden jullie altijd dat wij naar de hel gingen, nu zeggen jullie dat jullie met ons willen praten. Dat vertrouwen we niet helemaal.” Dialoog na eeuwen slechte ervaringen en vijandschap is niet gemakkelijk. “Is de islam voor veel christenen niet het nieuwe gevaar in Europa? Wat we geleerd hebben is dat de dialoog de ander zo moet proberen te begrijpen als hij of zij begrepen zou willen worden.”

Hij was nog volop aan het werk in Indonesië, toen Bavinck hem benaderde voor een nieuw op te richten leerstoel godsdienstwetenschap aan de Vrije Universiteit. De vraag kwam op een goed moment: drie van de zeven kinderen waren al terug naar Nederland, om hier naar de middelbare school te gaan. In 1965 werd hij hoogleraar godsdienstwetenschap.

Ook aan de Vrije Universiteit richtte hij zich vooral op de dialoog. In de jaren zeventig werd hij actief in de Wereldraad van Kerken, in de subunit for dialogue. Van 1975-1983 als voorzitter.

Als godsdienstwetenschapper kwam hij bij bestudering van de religies de rampen tegen die religies hebben aangericht. Kruistochten, jodenvervolging, ketterverbranding, slavernij, onderdrukking van de vrouw. “Dat leerde me dat religie moet opkomen voor de zwakke, de onderdrukte. De Wereldraad voerde actief strijd tegen de apartheid. De Raad van Kerken vroeg aandacht voor armen, krakers, allochtonen, andersgelovigen, joden in de Sovjet-Unie, tegen de apartheid, kernbewapening en voor de Palestijnen.”

Er kwam kritiek, van binnen en van buiten de politiek. Die kritiek wijst Mulder resoluut af. “Wanneer moet de kerk spreken en handelen? Als mensen in nood zijn en al helemaal als er niemand meer voor hen opkomt. De kerk moet kritische vragen stellen over de kwaliteit van de maatschappij. De politiek laat dat veel te vaak liggen.” De reacties vanuit de politiek waren niet eenduidig. “Toen we over de armoede begonnen, zei minister De Koning (sociale zaken): er is geen armoede. Maar minister Brinkman (cultuur) gaf ons 50 000 gulden.”

Begin 1982 kwam op de universiteit een Palestijnse delegatie op bezoek. Dat maakte veel indruk op hem. Toen hij in 1983 voorzitter werd van de Raad van Kerken, was de Palestijnse kwestie één van de zaken waarmee hij zich bezighield. “Dat lag moeilijk: Nederland was erg pro-Israël. Marga Klompé was voorzitster van de sectie buitenlandse zaken van de Raad van Kerken. Te harer huize ontmoetten we een vertegenwoordiger van de Palestijnen.” Na een reis door Israël en Palestina uitte de Raad nogal wat kritiek op Israël.

In het verlengde van dit alles sprak Mulder op de Palestijnendag in het Haagse Congresgebouw. “Een heel gematigde toespraak. We drongen aan op overleg.” Hij werd door een achterdeur naar binnen en naar buiten geloodst, want voor de deur stond een grote demonstratie van Christenen voor Israël.

In de eigen achterban lag ook de kernbewapening gevoelig. Het was de tijd van leuzen als: liever een atoombom in m'n tuin dan een Rus in m'n keuken. Bij de tweede grote demonstratie tegen plaatsing van kernwapens sprak Mulder namens de Raad van Kerken. Bij de eerste durfde de Raad nog niet. Ook de opstelling van de Raad inzake apartheid was omstreden. De gereformeerde synode had er acht jaar en vier stemmingsronden voor nodig om het Program to Combat Racism definitief te steunen.

“Tijdens de vergaderingen van de Raad - eerst negen, later tien lidkerken - werd nooit gestemd. Elke kerk, van de Quakers met 150 leden tot de r.-k. kerk met een paar miljoen leden had twee stemmen. Er werd net zo lang gepraat tot er overeenstemming was.” Maar het was gemakkelijker de kerken te verenigen op de sociale politiek dan op zaken als de leer en het ambt of de persoonlijke ethiek. “Toen De Koning informateur was, legde de Raad hem een aantal ideeën voor, maar moest erbij zeggen: we kunnen helaas geen voorstellen doen op het gebied van euthanasie en abortus.”

De kerk, waarvoor hij zich jarenlang heeft ingezet, brokkelt af. Van zijn zeven kinderen is er maar één die nog in de kerk geïnteresseerd is. Dat verdriet hem niet erg. “Ik vind het wel jammer dat een aantal van mijn kleinkinderen niets meer hoort van die mooie evangelieverhalen. Ik vind dat ook cultureel gesproken een verlies. Maar misschien keert de wal het schip. En een schrale troost is dat elders op de wereld het christendom groeit.”

Is door alle turbulente ervaringen zijn Godsbeeld wezenlijk veranderd? Eigenlijk is hij - hoewel zijn maatschappijkritische opstelling anders doet vermoeden - vrij orthodox gebleven. “Ik vind het meest fundamentele - maar het verschuift wel eens - dat God solidair is met mensen, dat Hij ons lot, ons leed, onze narigheid, onze dood deelt. En onze zonden draagt en vergeeft, al is het moeilijk precies uit te denken hoe dan. De twee belangrijke dingen die ik van God weet zijn: al het goede komt van God en Hij is met ons meegegaan in onze ziekte, dood en lijden. Die verregaande solidariteit vind ik in geen enkele andere religie.”

mailIcon print |