*

 
dossier

Archief

De diakonale opdracht van christendemocratische politiek

MINNE EVERHARDUS − 19/05/95, 00:00

De auteur is sociaal-geograaf; ex-werker in een ontwikkelingsland.

Ik kan me, ook al ben ik geen CDA'er, in grote lijnen vinden in zijn betoog, dat ook voor mensen die niet per se religieus dan wel christelijk zijn, woorden van universele waarde bevat. Ik merk slechts wat op over zijn slotbetoog ('De politieke betekenis van het geloof in God en Christus').

Küng stelt: 'Vanuit Jezus verandert het beeld van God' en 'Jezus verandert ook de houding jegens andere mensen'. Dat zou ik willen uitbreiden tot een ook bij andere religies en levensbeschouwingen bruikbare zingeving. De plichten en rechten die Küng opsomt kennen immers - ondanks secularisatie en pluralisatie van denkbeelden - een zekere eenheid in doelstelling. In de christelijke visie kunnen die doelen worden samengebracht in de twee aan elkaar gelijke kerngeboden: God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf. Met andere woorden: niemand leeft voor zichzelf alleen; samen vormen we de sociale omgeving, die gelijke plichten en rechten kent voor iedereen. Dat laatste kan ook worden onderschreven vanuit een niet-religieuze, humanistische levensbeschouwing; of vanuit andere religies die zich kunnen vinden in Küngs 'verplichtende en verbindende ethos'.

Maar wanneer we kijken naar de traditie van de (Nederlandse) christen-democratie, wringt hier (volgens mij) nu juist de schoen. De eeuwige strijd tussen het 'hebben' en het 'afstaan' creëert een sterk spanningsveld. Kiest (koos) het CDA voor een diakonale opdracht, of voor de eigen portemonnee? Voor een menselijke-sociale politiek, in overleg met het door deze partij gekoesterde 'maatschappelijk middenveld', of voor een klassiek-conservatief recht van de sterkste, zoals uitgedrukt in de klassiek-liberale denkbeelden van met name de VVD? Daarover bestaat sinds jaren grote onduidelijkheid. Waarvoor staat het CDA eigenlijk, voor de markt of voor de mensen?

Ex-premier Lubbers heeft openlijk schuld bekend: de no-nonsense politiek van de jaren tachtig heeft veel kwaad aangericht. Dat is moedig, voor iemand die deze CDA-politiek zelf, in samenspraak met coalitiegenoot VVD, heeft ingeluid. Dat geeft naar mijn mening ook aan waarom het CDA thans in ontreddering verkeert: dezelfde politiek die zij jarenlang heeft bedreven, wordt nu als de vijand van de christen-democratie erkend. Waardoor het 'paarse' kabinet per definitie 'de vijand' wordt. Dit lijkt me erg lastig, want met twee van de huidige coalitiegenoten heeft het CDA afwisselend geregeerd.

Wil het CDA in de nabije toekomst een nieuwe betekenis zoeken, dan zal die dus ook meer moeten liggen in de aloude (bijbelse) diakonale opdracht; in de sociale inrichting van de samenleving. En dus minder in de macht van het regeren; in het eeuwig conflict tussen kapitaal en arbeid. Het is de zogeheten 'derde weg' die reeds jarenlang door economen als Goudzwaard e.a. werd aanbevolen. Een economie waarbij niet de markt, maar (mede)menselijkheid richtlijn is. Waar de zorg voor minder bedeelden, hier en wereldwijd, grotere waarde heeft dan de winsten van grote ondernemingen. Waar mensen rentmeesters zijn van de wereld, die wij in bruikleen hebben van onze kleinkinderen; en niet als heersers hebben geerfd van onze voorouders.

Alleen dan kan de (christen-)democratie overleven; alleen dan blijven normen en waarden aanwezig en zichtbaar als bindmiddel. Daarzonder zal de huidige tweedeling tussen rijk en arm zich voortzetten; en valt te vrezen dat de samenleving atomiseert tot een steeds losser wordend verband van individuele belangen (rechten) tegenover gemeenschappelijke plichten.

Kan het CDA die uitdaging aan, desnoods gesteund door een beperkt electoraat en ten koste van jarenlange oppositie?

mailIcon print |