*

 
dossier

Archief

Iedere dag een paar olierampjes

Rob Buiter − 14/01/00, 00:00

De ramp met de olietanker Erika is na een maand al weer bijna vergeten, laat staan die met de Torrey Canyon (1967), de Amoco Cadiz (1978) of de Exxon Valdez (1989). Toch spoelen nog dagelijks honderden dode vogels aan op de Nederlandse kust; niet het gevolg van ongelukken, maar van alledaagse illegale lozingen.

Een mooie winterochtend op de Westerslag: het Texelse strand ligt er schoon bij. Recent hoog water heeft een laag zand van de eerste duinenrij afgeslagen en dat als een verse deken over het strand uitgespreid: je zakt er soms tot je enkels in weg. ,,Alle rommel, inclusief de dode vogels, ligt hier ook onder, dus we zullen wel even moeten lopen voor we wat vinden'', waarschuwt zeevogelbioloog Kees Camphuysen.

Toch is het enkele tientallen meters van de afslag al raak; aas-etende kraaien en meeuwen verraden de laatste rustplaats van een eidereend. Dankzij een karakteristieke snavel is het dier nog als zodanig te herkennen, maar verder hebben de lijkenpikkers er niet veel meer van overgelaten dan vleugels en botjes. Of het een olieslachtoffer is, blijft dus onduidelijk. Camphuysen noteert een eidereend met vraagteken in zijn boekje.

Iets verderop is het wel duidelijk; een dode zeekoet heeft een dikke plak olie op zijn normaal hagelwitte buik. Hier was de olie zonder twijfel de doodsoorzaak, weet Camphuysen.

Zeekoeten zijn uitgesproken zeevogels. Ze duiken tot 180 meter diep naar vis. Maar de olie maakt hun isolerende verenkleed als het ware lek. Ze koelen daardoor snel af en sterven. Camphuysen noteert: ,,1 volwassen zeekoet, vers, 30 procent vervuild'', en knipt op een geheim te houden plek wat veren van het kadaver. Collega-tellers weten nu dat dit dier al genoteerd is. ,,Maar we willen niet dat grappenmakers het onderzoek saboteren, dus schrijf maar niet precies op waar ik knip''.

Sinds 1977 stropen Camphuysen en andere vrijwilligers van de werkgroep Nederlands Stookolieslachtoffer Onderzoek op deze manier de stranden af, op zoek naar vogellijken. Na 23 jaar en ruim 46 duizend getelde kilometers langs de Nederlandse kust, werd afgelopen december het tweehonderdduizendste kadaver gevonden; een Noordse stormvogel. Toch had dit dier niets met de Erika-ramp voor de Bretonse kust te maken. ,,Ik wil die rampen niet bagatelliseren'', zegt Camphuysen, ,,maar uiteindelijk zijn dat incidenten. Iedere dag wordt er immers bewust operationeel olie geloosd op zee. Water uit de machinekamers dat met olie en brandstof is vervuild wordt gewoon op zee gedumpt, dag in dag uit, jaar in jaar uit. De Noordzee is een lappendeken van moedwillig veroorzaakte olievlekken.''

Hoe sterk de zee is vervuild, illustreert Camphuysen vreemd genoeg met het aantal vuile Houtsnippen dat hij heeft geregistreerd. Houtsnippen leven in het bos. Maar ze trekken ook tussen Engeland en het vasteland. Sterft zo'n dier onderweg, dan valt hij in zee en kunnen de tellers hem later eventueel vinden. Van de ruim 300 Houtsnippen die zij sinds 1977 op die manier registreerden, was slechts 70 procent schoon. Een dier dat dus op een willekeurige plek in de Noordzee valt heeft een kans van niet minder dan 30 procent dat hij met olie in aanraking komt!

Het fabeltje dat vogels de zwaardere olieplekken juist opzoeken, omdat het zou lijken op een lekker rustig stukje tussen de golven, helpt Camphuysen graag de wereld uit. ,,Dat heeft iemand in de jaren zestig, waarschijnlijk vanachter zijn bureau, bedacht. Het is nooit door waarnemingen bevestigd, maar het bleek wel een aantrekkelijk verhaal want het is gretig doorverteld. Er zijn inmiddels meer dan voldoende waarnemingen die het tegendeel bewijzen. Vogels die met olie worden geconfronteerd zwemmen er juist voor weg.''

Een bewijs voor die theorie ligt een stukje verder op het strand; een dode jan-van-gent. Vooral het achterste deel van zijn buik is zwart van de teer. Camphuysen: ,,Jan-van-genten zijn logge dieren. Ze hebben net als zwanen een lange startbaan nodig om tegen de wind in op te vliegen. Wanneer een olievlek met de wind naar ze toe drijft, dan willen ze weg. Maar tegen de wind in moeten ze dus door die olie om op te vliegen. Jan-van-genten hebben daarom een karakteristieke vervuiling aan de achterkant van de buik, en aan de vleugelpunten, waarmee ze bij het wegvliegen in de olie hameren.''

De vrijwilligers registreren de laatste weken een nog onbegrepen toename in het aantal dode en vervuilde jan-van-genten. Maar over de lange termijn meten de tellers juist een afname van het aantal vervuilde vogels. Zo was van de eerste 100000 vogels die in minder dan 10 jaar werden verzameld, 70 procent vervuild. Ter vergelijking: over de volgende 100000 kadavers deden de tellers vijftien jaar. Daarvan was bijna 70 procent schoon. ,,Het gaat dus de goede kant op. Maar de conclusie dat de Noordzee dankzij internationale verdragen nu schoon is, die kan je voorlopig nog niet trekken'', vindt Camphuysen.

Sinds kort is de Noordzee een zogenoemde special area in het internationale Marine Polution-verdrag MARPOL. De zeevaartlobby heeft de bescherming van de Noordzee als special area lange tijd weten te blokkeren. Maar nu is het lozen van water met meer dan vijftien delen vervuiling per miljoen delen water dan toch echt verboden. ,,Dat is water waarin je een vuile schroevendraaier hebt gedoopt. Dus al deze vervuilde vogels zijn het gevolg van overtredingen van een internationaal verdrag.''

De vrijwilligers van het Nederlands stookolieslachtoffer onderzoek mochten willen dat de overheid hen ook zou betalen voor hun controle op de naleving van een internationaal verdrag. ,,We hebben 'n keer een project gefinancierd gekregen van Den Haag. We hadden toen zoveel gegevens verzameld dat ik met recht 'nu of nooit' kon zeggen. En de overheid heeft inmiddels ook schoorvoetend erkend dat het tellen van dode vogels op het strand een betrouwbaar instrument kan zijn.''

Als zelfstandig professioneel zeevogeldeskundige zet Camphuysen dit instrument inmiddels in voor meer onderzoek dan alleen dat naar olievervuiling. ,,Als zeevogelbioloog heb je het probleem dat je onderzoeksobjecten meestal op open zee zitten. De dode dieren zijn voor mij dus ook een goede steekproef voor leeftijdsopbouw, verspreiding en dat soort gegevens. Begin jaren tachtig liepen we bijvoorbeeld ineens tot onze knieën in de dode zeekoeten. Daar bleek uiteindelijk een voedselprobleem op de Noordzee achter te zitten.''

Dat het ornithologisch strandjutten ook heel vreemde resultaten kan opleveren, blijkt uit de lijst met vondsten die Camphuysen op zijn homepage bijhoudt. Onderaan de lijst met vogels staat ook een aantal dode zoogdieren. Dertig zeehonden vallen daarin niet op, 187 konijnen wordt al iets vreemder, een lama is de bizarre hekkensluiter. ,,Blijkbaar wordt er ook met dat soort dieren gerommeld op zee'', moet Camphuysen vaststellen. ,,Een visser vertelde mij eens dat hij het lijk van een grijze roodstaartpapegaai heeft opgevist: de kooi zat er nog omheen. Ik zal niet ontkennen dat ik die ook graag op mijn lijst had gehad!''

Aan het eind van de ochtend is het resultaat van de twee kilometer Texels strand die we hebben afgestroopt: elf dieren waarvan vijf met olie besmeurd. Uiteindelijk zullen deze vondsten in de toekomst alleen ten goede veranderen wanneer zeelui niet meer de afvalkraan op zee opendraaien. In de haven staan immers afvalontvangst-installaties, maar het gebruik daarvan kost geld. ,,We nemen daarom ook wel eens studenten van de zeevartschool mee het strand op'', vertelt Camphuysen. ,,Door ze te laten zien wat de consequenties zijn, hopen we dat ze straks in de praktijk 'Nee!' durven zeggen wanneer de machinist ze beveelt de kraan open te zetten.''

mailIcon print |