*

 
dossier

Archief

Geen last van Voskuils Bureau

Monica Soeting − 08/02/00, 00:00

,,Waarom vliegen we naar de maan?'' Theo Meder, medewerker van het Meertens Instituut in Amsterdam, beantwoordt een vraag met een wedervraag. Meder verzamelt en onderzoekt volksverhalen en de vraag naar het belang van zijn werk lijkt hij in eerste instantie als niet relevant te beschouwen.

Als J. J. Voskuil met zijn epos over het Meertens Instituut - bij Voskuil-fans beter bekend als Het Bureau - het nut van die instelling in twijfel trekt, dan heeft dat geen neerslag op het werk van Meder.

,,Het Bureau'', zegt Meder, ,,is mij geen blok aan het been. Ik ben hier lang na Voskuil gekomen en ik heb een heel ander beeld van de mensen die in Het Bureau voorkomen. Bovendien hoor ik vaak mensen zeggen dat Het Bureau ze aan een bedrijf als bijvoorbeeld Shell doet denken. Het boek gaat over een herkenbaar fenomeen en daar heb ik verder geen last van.''

Toch heeft Meders vorige week verschenen boek, De magische vlucht, indirect met Het Bureau te maken. Het boek is een bloemlezing uit de collectie van het Meertens Instituut en het bevat niet alleen bekende sprookjes als 'De wolf en de zeven geitjes'. Meder vertelt ook een grote hoeveelheid hedendaagse moppen en bovendien verhalen die alleen binnen bepaalde families de ronde doen.

Zelfs de moderne 'broodjes aap' ontbreken niet. In die opzet laat 'De magische vlucht' zien dat het huidige instituut een wereld van verschil vormt met het instituut zoals dat in Voskuils tijd bestond. 'De magische vlucht' blijkt daarom gedeeltelijk als reactie op 'Het Bureau' geschreven te zijn. Want met zijn boek, zegt Meder, wil hij laten zien hoe hij en zijn collega's te werk gaan: ,,Niet zoals bij Voskuil in een ivoren toren.'' Onder Voskuil had volgens Meder een boek als 'De magische vlucht' niet kunnen verschijnen. ,,Dit soort dingen mocht je van Voskuil niet doen. Dat moest je overlaten aan amateurs of journalisten. Dat er vanuit de wetenschappelijke afdeling een populair boekje zou verschijnen, waarin gewone mensen kunnen lezen wat het instituut doet en denkt over volksverhalen, dat zou onder Voskuil ondenkbaar zijn geweest.''

Niet alleen het beleid van het Meertens Instituut is veranderd, ook het soort onderzoek dat Meder en zijn collega's doen, wijkt sterk af van dat van zo'n vijftig jaar geleden. Dat heeft te maken met veranderende denkbeelden over volksverhalen. ,,In de tijd van Voskuil'', zegt Meder, ,,was men met de blik naar het verleden gericht en vooral ook naar beneden, naar het gewone volk. Naar de verhalen die hoger opgeleiden elkaar vertelden, keek men niet. De sagen die Voskuil en zijn collega's verzamelden, moesten flink in het verleden geworteld zijn. Vertellingen over de moderne tijd vielen buiten de verzameling. Dat kwam omdat men volksverhalen als oeroude kunstuitingen beschouwde. En die kunstuitingen meende men in zijn meest ongerepte vorm te vinden bij knoestige boeren en vissers, lieden die nog zo heerlijk in een isolement leefden en geen enkele invloed van de cultuur ondergingen.

Maar ten eerste geloven we tegenwoordig helemaal niet meer in dat isolement. Die knoestige boeren lazen ook kranten en boeken en voor hun werk en hun plezier gingen ze graag naar de stad.

Ten tweede weten we tegenwoordig dat veel verhalen helemaal niet zo oud zijn. Heel wat sprookjes bijvoorbeeld stammen uit de negentiende eeuw.

Voskuil zelf heeft overigens ook korte metten gemaakt met oude vooroordelen. Toen hij onderzoek deed naar het gebruik van de kerstboom, kwam hij erachter dat de kerstboom pas anderhalve eeuw geleden in Nederland werd geïntroduceerd.

Ten derde richtte men vroeger de blik op het verleden omdat men dacht dat het vertellen een uitstervende volkskunst was - de 'vijf voor twaalf' gedachte is altijd erg sterk geweest binnen de volkskunde.'' Die angst was volgens Meder onterecht. ,,Het vertellen houdt niet op, ook niet als er geen nieuwe sprookjes zouden ontstaan. Als ik met mijn boek één ding wil laten zien, dan is dat dat de mondelinge overlevering van verhalen een groot scala aan genres bevat.

De meeste mensen denken bij het mondeling overleveren van verhalen aan sprookjes of sagen, maar vertellen betekent meer. Bovendien veranderen sprookjes voortdurend. Vraag een kind hoe 'Sneeuwwitje' afloopt, en het zal je vertellen dat de prins Sneeuwwitje met een kus tot leven wekt. Bij Grimm komt Sneeuwwitje echter weer tot leven als een stukje appel uit haar keel schiet. Maar Walt Disney vond dat geen romantisch einde en gebruikte het slot van 'Doornroosje' voor zijn versie van 'Sneeuwwitje'. En omdat de meeste kinderen tegenwoordig alleen Disney's verhaal kennen, vertellen ze die afloop.''

Beschouwt Meder dat als een verarming? ,,Nee'', zegt hij beslist. ,,Iedereen mag met een sprookje doen wat hij wil. Het slot van Disney spreekt blijkbaar meer aan dan het slot van Grimm. Een verhaal is als een virus: als het niet goed meer is, moet het muteren, want anders sterft het uit. Oerversies van verhalen bestaan niet. De gebroeders Grimm hebben net zo goed aan hun sprookjes zitten componeren en er hun waarden aan toegevoegd.''

En zo blijkt er voor Meders werk uiteindelijk toch een goede reden te bestaan: ,,Ik heb mijn boek geschreven omdat verhalen nooit statisch zijn, maar een beeld geven van de tijd waarin de verteller leeft. Gebruiken ontstaan op ieder moment en voor je het weet noemt men ze eeuwenoud. Dan lijken ze een geschiedenis te hebben en dan zijn ze belangrijk. Vooral de toeristenindustrie vaart daar wel bij. De meeste gebruiken en verhalen hebben echter niets met Germanen te maken. Ieder mens heeft een verhaal. Als je geen sprookje kent, dan vertel je wel een mop. Ik ben niet op zoek naar het oude per se. Ik vind het interessant te weten over welk repertoire jongeren bezitten, welke vertellingen allochtonen elkaar vertellen en in hoeverre de verhalen van allochtonen en autochtonen elkaar beinvloeden. Ik doe bijvoorbeeld onderzoek in een stadswijk als het Utrechtse Lombok, waar ik kinderen naar moppen vraag. Ik ben op zoek naar verhalen van nu. Wat mij interesseert is dat mensen elkaar iets vertellen om een boodschap over te dragen.'' 'De magische vlucht' bevat daarom niet louter grappige geschiedenissen of lieve sprookjes. ,,Dat verhalen of moppen niet altijd even kies zijn, ligt voor de hand. Mensen vertellen elkaar heel wat rotverhalen. Er bestaat bijvoorbeeld een groot aantal nare Dutroux-moppen. Maar ook dat zegt alles over de tijd waarin de verteller leeft.''

mailIcon print |