Onder de brug van de rivier Grogol in West-Jakarta wachten honderden bouwvakkers al maandenlang op werk. Ze zitten, slapen en wassen hun kleren in de stinkende rivier of spelen een potje schaak om de tijd te doden. Sporadisch komt er een pickup om wat mannen voor werk op te halen. Dan is het even gedaan met de rust. De hele meute rent naar de wagen in de hoop werk te krijgen. Maar de pikorde is groot: alleen een paar sterke mannen worden uitverkoren voor de klus. De rest sloft al snel weer terug naar hun plek.
Enkele maanden geleden was overdag onder deze brug slechts een handjevol bouwvakkers te vinden. Nu zijn het er naar schatting 500. De bouw is de eerste sector waar de gevolgen van de financiële crisis merkbaar werd. Van de 2,8 miljoen werknemers schat voorzitter Mochtar Hidayat van de Indonesische associatie van vastgoedontwikkelaars dat eind dit jaar 1 miljoen bouwvakkers werkloos zullen zijn, omdat de helft van de bouwbedrijven de crisis niet zal overleven.
Tot voor kort werd nog overal in Jakarta driftig en tot zelfs diep in de nacht gewerkt aan weer een nieuw kantoorgebouw, luxe winkelcentrum of woning. Maar nu liggen veel bouwplaatsen er stil en verlaten bij. Zelfs overdag is bij de half afgebouwde gebouwen geen hond aanwezig. De gemeente Jakarta heeft aangekondigd speciale bouwprojecten te starten om bouwvakkers aan tijdelijk werk te helpen. Maar voorlopig is daar nog het wachten op.
“Ik heb honger”, verklaart de achttienjarige bouwvakker Wagiman plompverloren als hij zijn oude plekje weer inneemt, nadat de pickup is weggereden. “Maar ik probeer dat gevoel onder controle te houden, zodat ik aan een maaltijd per dag genoeg heb.”
De bouwvakkers hebben onderling uit solidariteit enkele afspraken gemaakt. Zo zal elke bouwvakker die terugkeert van een dagje werken, een deel van zijn verdiende salaris afstaan. En de klussen worden min of meer eerlijk onder elkaar verdeeld. Met het geld dat wordt afgestaan kunnen de achterblijvers tenminste wat eten voor die dag kopen. Maar het verdiende daggeld is onvoldoende om iedereen van eten te voorzien. Dus de onderlinge spanningen nemen toe, zegt Wagiman.
Wagiman heeft in de afgelopen drie maanden slechts vijf dagen werk gehad, vertelt hij. Alle andere dagen heeft hij onder de brug gezeten, wachtend en nog eens wachtend. Inmiddels leeft Wagiman op de pof. De eigenaar van een nasi-warung in de buurt geeft hem elke dag een portie rijst met wat groente in een bananenblad. Wagiman: “Maar hoelang hij dat blijft doen, weet ik niet. Ik ben hem nu 30 000 roepia schuldig. Normaal verdiende ik dat in een dag. Nu heb ik niet eens geld om een busticket van 15 000 roepia te kopen om terug te keren naar mijn ouders in Oost-Java.”
Naast hem knikt de 27-jarige Yodono driftig. Hij heeft sinds twee maanden geen werk meer en leeft nu van zijn spaargeld. Yodono kan niet op hangende pootjes terugkeren naar huis. Hij zou dan zwaar gezichtsverlies lijden en dat is een van de ergste dingen die een Indonesiër kan overkomen. Bovendien leeft zijn familie in een kampong in Oost-Sumatra voor een belangrijk deel van het inkomen dat hij naar huis stuurde. Yodono: “De hele familie verwacht dat ik met geld thuiskom. En dat heb ik niet meer, dus blijf ik hier.”
Maar na deze woorden mengt een oude man zich in het gesprek. “Er is altijd wel wat geld te verdienen”, bijt hij de jongens toe. Soedi is 60 jaar. Tegenwoordig struint hij de straten af op zoek naar kartonnen afval. “Ik heb een mannetje gevonden dat het karton voor 200 roepia per kilo opkoopt. Van dat geld kan ik eten kopen en zelfs een paar sigaretten per dag”, zegt Soedi, terwijl hij trots lachend zijn tandenloze mond laat zien. Kan hij zelf niet bij familie terecht? “Mijn vier kinderen weten niet waar ik ben”, reageert hij afwijzend. “En die kunnen toch niet helpen. Ze hebben genoeg moeite om hun eigen kinderen te voeden en naar school te laten gaan.”
De crisis komt volgens Wagiman allemaal door “de corruptie en collusie van sommige mensen daarboven”, met een blik omhoog, doelend op de rijke kliek die rondom president Soeharto vertoeft. Zijn conclusie vindt brede steun. Soedi knikt heftig: “De rijken hebben nog steeds niet te klagen. Maar wij, het gewone volk, lijdt eronder.” De woorden corruptie en collusie liggen de laatste maanden bij iedereen voorin de mond. Kon de eerste maanden van de valutacrisis nog met goed fatsoen de schuld op de buitenlandse valutaspeculant Soros worden geschoven, inmiddels is bij hoog en laag in de bevolking doorgedrongen dat de problemen vooral in Indonesië zelf liggen en dat de wijdverbreide corruptie er een van is. Zelfs de belastinginspecteur erkent dat tegenwoordig volmondig. “Corruptie is niet goed”, begint hij. “Dat moet hard worden aangepakt.” Om vervolgens een uur later te verklaren: “Ik moet elke maand 2 miljoen roepia naar mijn vrouw sturen, maar ik verdien maar 1 miljoen. Dat extra geld moet ik toch ergens vandaan halen?”
Over oorzaken en oplossingen wordt druk gediscussieerd, zowel in de media als op elke andere denkbare sociale bijeenkomst. “Er is een gebrek aan nationale trots”, zegt pak Yudimann tijdens de opening van een muziekcafé in Zuid-Jakarta. “Als we wel nationalistisch waren geweest, dan kocht iedereen dus roepia's en niet dollars. Nu kunnen we net zo goed een Amerikaanse staat worden.” Zijn vrouw schudt haar hoofd. “Er is geen vertrouwen in de maatregelen van de overheid”, zegt ze. “En dan krijg je de meest vreemde effecten. Ik werd een paar weken geleden opgebeld door een vriend die bij een bank werkt. Hij had gehoord dat pak Harto ernstig ziek was en hij adviseerde dat het beter was al mijn geld van de bank te halen voordat de roepia nog verder daalde. En dan blijkt later dat pak Harto helemaal niet ziek is. Ik was blij dat ik niets had gedaan. Maar je krijgt gewoon nergens betrouwbare informatie.”
Betrouwbare informatie ontbreekt zelfs over het aantal werklozen dat is getroffen door de crisis. Volgens minister Latief hebben tot nu toe slechts enkele duizenden mensen hun baan verloren. Maar zijn eigen topambtenaar sprak een paar dagen eerder van 2 miljoen nieuwe werklozen. Daaronder vallen niet alleen de bouwvakkers, maar ook de meer dan 40 000 uit Saoedie-Arabië teruggekeerde gastarbeiders die in november dat land zijn uitgezet en de naar schatting 10 000 bankemployees die bij een van de failliet verklaarde banken werkte. Latief schat dat eind dit jaar het aantal werklozen op 5 miljoen uitkomt, maar anderen zeggen dat 8 miljoen waarschijnlijker is.
Wie zijn baan verliest in Indonesië ontvangt geen enkele uitkering en is dus direct afhankelijk van zijn familie of vrienden. Pak Ronnie heeft als chauffeur al drie maanden geen werk. Hij belt al zijn oude opdrachtgevers af in de hoop ergens aan de bak te komen. Maar tot nu toe tevergeefs. Gelukkig werkt zijn zoon als administrateur in het winkelcentrum Pondok Indah en heeft hij een goed salaris van 2 miljoen roepia per maand. Maar het betekent wel dat pak Ronnie zijn trots moet inslikken en de hand bij zijn eigen zoon ophouden. “Tida bagus (niet goed, red.)”, herhaalt hij steeds weer terwijl hij zijn hoofd schudt.
In het luxe winkelcentrum Pondok Indah Mall is het de laatste tijd opvallend rustig. Er hangen overal uitverkoop posters, met kortingen die oplopen tot 60 procent. Maar de meeste bezoekers komen alleen nog voor de gezelligheid, om te flaneren. “We hadden een kleine verkooppiek zo vlak voor kerst, omdat we met forse uitverkoopkortingen kwamen”, vertelt een verkoopster van het warenhuis Metro. “Dat hielp eventjes. Maar nu is het weer volledig ingezakt. Mensen kijken wel, maar kopen doen ze niet meer.”
Luxe winkelcentra hebben het extra moeilijk, omdat ze voornamelijk geïmporteerde westerse goederen verkopen. Tot voor kort waren dat de meest populaire producten onder de rijke Indonesiërs. Maar nu zijn de prijzen met tweehonderd tot driehonderd procent gestegen en dat is voor de meesten, hoe graag ze het ook willen, onbetaalbaar. Een computerhandelaar legt uit dat de pentium-computer 233 drie maanden geleden nog 12 miljoen roepia kostte en nu 24 miljoen. “Zelfs ik kan die prijsstijging niet meer verantwoorden aan mijn klanten”, zucht hij.
De detailhandel heeft haar hoop voorlopig vooral gericht op het Idul Fitrie-feest dat de moslims aan het einde van deze vastenmaand vieren. Het overgrote deel van de 200 miljoen Indonesiërs vertrekt dan een week lang naar familie op het platteland, om te feesten en elkaar de nodige cadeaus te geven. Die cadeaus worden gekocht van het extra maandsalaris dat werknemers gewoonlijk aan het einde van de vastenmaand krijgen. De regering heeft de werkgevers dringend opgeroepen toch vooral deze bonus te betalen. Men vreest anders grote onrust onder werknemers. Maar ondernemersorganisaties hebben al laten weten dat een heleboel bedrijven domweg het bonusgeld niet hebben.
Aan Ibu Di lijken al die problemen voorbij te gaan. Zij is al dagen druk bezig samen met haar vriendin de cadeaus voor haar familie te kopen. Met grote tassen sjouwt het dienstmeisje achter hen aan in Pondok Indah Mall. Haar man heeft veel geld verloren, zegt ze terwijl ze even uitpuft op een bankje. Maar ze geeft geen antwoord op de vraag in welke 'business' hij dan zit. “Het is moeilijk”, zegt ze alleen.
Op de vraag of ze zelf hinder ondervindt van de crisis, blijft ze lang stil. Dan zegt ze nadenkend: “Ik ga minder winkelen, geloof ik. Vorig jaar ging ik vrijwel elke maand naar Singapore om te shoppen. Voor de gezelligheid. Maar dat heb ik de laatste paar maanden niet meer gedaan. Ik ga er nog wel voor Idul Fitrie een keer naartoe, want ik moet een paar cadeaus hebben die ik hier niet kan vinden.” En haar vriendin voegt daaraan toe: “We hebben een van onze auto's verkocht en ik gebruik mijn handtelefoon nu niet meer. Dat scheelt.”
Ibu Dinie van Ritra Cargo is al een maand bezig alle openstaande rekeningen van het bedrijf bij klanten thuis te innen. “We schrapen al het geld dat we hebben bij elkaar, om maar in de business te blijven”, verklaart ze. “We moeten het proberen uit te zingen, zegt de baas. Misschien krijgen we straks geen extra maandsalaris. Maar als je moet kiezen tussen een baan of voor de laatste keer een extra salaris, dan is de keuze snel gemaakt”, zegt Dinie nuchter. “Dan koop ik dit jaar maar wat goedkopere cadeautjes en eten we wat minder duur.”
In tegenstelling tot de luxe shopping-malls, is het op de gewone passar Pondok Labu in Zuid-Jakarta nog elke dag een drukte van belang. De vrouwen vertrekken als vanouds nog steeds met plastic zakken vol etenswaar. Maar onderling wordt er druk informatie uitgewisseld over de bodemprijs van elk product. De vrouwen weten precies hoeveel alles in prijs is gestegen. “Mahal, mahal” (duur, duur, red.) zijn de woorden die je voortdurend hoort. Zelfs de basisproducten als rijst en kookolie zijn fors omhoog gegaan, verklaren ze misprijzend. Wie het kan betalen is aan het hamsteren geslagen en dat jaagt de prijzen ook nog eens op.
Officieel spreekt de regering over een prijsstijging vorig jaar van gemiddeld 11 procent. Maar sommige etenswaren zijn wel twintig tot veertig procent duurder geworden. Zo kostte een liter kookolie drie maanden geleden nog 2700 roepia: Nu is het alweer 3500 roepia.
Volgens slager Edi is de handel ook duidelijk verminderd. Er wordt veel minder vlees en kip gekocht, vertelt hij. “Ik verkoop nu vooral resten van vlees en de goedkoopste stukken, zoals botten, maag en darmen.”
Zijn collega Rami die op de grote tafel druk bezig is een kip in mootjes te hakken, beaamt dat. “Er wordt heel scherp op de prijzen gelet en de vrouwen onderhandelen nu veel harder. Vaker dan vroeger moet ik genoegen nemen met een lagere winst. Het is steeds meer soesa, maar we mogen niet klagen, want het gaat nog steeds.”
Hij houdt even op met hakken, kijkt om zich heen en begint dan weer met hernieuwde kracht op het kippenbeestje in te slaan: “Sommige vrouwen komen hier al jaren, maar ze hebben nu zelfs geen geld meer om kip te kopen. Ze willen dat ik het op de pof geef. In het begin deed ik dat. Maar je kunt niet aan de gang blijven. Het duurt nu al een paar maanden en er zijn steeds meer mensen die op de pof willen.”
Volgens slager Rami is er ook een positieve trend zichtbaar. “De laatste tijd komen steeds meer kokkies van rijke mensen hier. En die kopen tenminste nog de gewone stukken vlees en kip. Voor hen is dat toch nog altijd goedkoper dan bij de supermarkt buitenlandse kip kopen.”
Voor slager Rami staat de 40-jarige Ibu Evi in opvallend chique kleding te wachten. Ze is deze keer persoonlijk naar de passar gegaan, om met eigen ogen te zien dat de prijzen fors zijn gestegen en dat er domweg niet meer kan worden afgedongen dan haar dienstmeid doet. “Elke keer komt mijn kokkie terug van de passar met de mededeling dat ze het vlees en de groente niet goedkoper kan krijgen en dat alles weer duurder is geworden”, zegt ze hoofdschuddend. “Het wordt allemaal steeds moeilijker. Ik begrijp niet hoe dit allemaal kan.”
Ze krijgt van haar echtgenoot sinds vorige maand bijna de helft minder huishoudgeld dan ze gewend was. Haar wekelijkse bezoek naar de supermarkt Hero heeft ze daarom teruggebracht tot een keer per maand. “En ik koop bijna geen buitenlandse producten meer, dat scheelt al een hoop geld”, zegt ze.
Ibu Indra was vijf jaar niet op de passar geweest. Nu is ze er weer een geregelde bezoeker. Ook zij deed alleen nog boodschappen in de supermarkt. “Zelfs met de vaste prijzen die ze hanteren, kon ik tot voor kort de wagen nog volladen, zonder problemen”, zegt ze. Maar haar man heeft een rotan-meubelfabriek met 100 werknemers in Bogor en al het geld is nu hard nodig om de salarissen van het personeel te betalen en de leningen af te lossen. “Op de passar kun je tenminste nog wat onderhandelen, in de supermarkt niet”, verklaart Ibu Indra.
Maar alleen geld uitsparen is al lang niet meer voldoende. Indra: “Ik heb al een paar gouden sieraden moeten verpanden, zodat mijn man het salaris over de maand december kon betalen. En dat zal straks opnieuw moeten, want eind januari eisen de werknemers hun extra maandsalaris, vanwege Idul Fitrie. Ik weet niet eens of we de gewone salarissen nog wel kunnen betalen.”
Indra is niet de enige die haar toevlucht heeft gezocht tot een traditionele pandjeslening. De 23 officieel erkende pandjeswinkels in Jakarta hebben het de laatste maanden extreem druk, zo meldde het hoofd van deze overheidswinkels, Ketut, onlangs aan het persbureau Antara.
Pandjeszaak Tanjung Duren in West-Jakarta telde alleen al in de maand november 1500 klanten, dat is zeven keer meer dan normaal. December was zelfs nog drukker, omdat mensen geld nodig hadden vanwege de feestdagen. Meestal wordt er een lening afgesloten op juwelen, maar zelfs auto's en elektronicaproducten biedt men tegenwoordig aan. De stormloop op de pandjeszaken is volgens Ketut makkelijk verklaarbaar: “Het is deze dagen eenvoudiger iets in onderpand te geven, dan een gewone lening af te sluiten. Het is uiterst verleidelijk.”
Niet alleen pandjeszaken, ook de geldwisselkantoren doen in deze tijd goede zaken. Wie maar even kan, wisselt zijn verdiende geld zo snel mogelijk in voor dollars om maar te voorkomen dat het geld de volgende dag in waarde is gedaald. De in West-Jakarta zetelende geldwisselaar Lidin kan zijn geluk in ieder geval niet op. “Nog nooit heb ik zulke goede zaken gedaan. Van mij mag het zo nog wel doorgaan”, zegt hij. En hij meldt trots dat hij in de afgelopen drie maanden 300 miljoen roepia heeft omgezet. “Daarvoor was het 1 miljoen per dag.”
In het kantoor van de American Express-card is het al maanden een drukte van belang. Vooral aan het einde van de dag is er standaard een lange rij en het kantoor draait overuren. Het is een vreemd gezicht, al die mensen die er met plastic zakken volgestouwd met briefjes van 20 000 roepia staan. Zowel bedrijven als particulieren storten hier hun verdiende geld op hun dollar-rekening. “Je kunt het niet snel genoeg doen, want elk uur lijkt de roepia weer minder waard te zijn”, verklaart er een.
Maar de meeste Indonesiërs kunnen het zich niet eens permitteren om het geld op een bank te zetten. De dalende roepia is een luxe-probleem voor de rijken, zegt de 40-jarige bouwvakker Hamami dan ook. Hij slaat zijn armen in de lucht. Hij is de wanhoop nabij, want al drie maanden heeft Hamami geen werk gehad. “Altijd honger”, zegt hij wijzend op zijn buik. “Er zijn in Indonesië mensen die bang zijn dat ze hun juwelen moeten missen, of minder kleren kunnen kopen. Maar ik ben bang om te sterven van de honger en nog banger dat mijn kinderen niet meer te eten hebben. Ik heb al drie maanden geen geld naar huis gestuurd en zonder geld hoef ik niet aan te komen. Ik hoop dat Allah of pak Harto (president Soeharto, red.) ons helpt.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.