Bill Bradley's privacy is hem heilig. Een weinig benijdenswaardige eigenschap voor iemand die zijn zinnen heeft gezet op het Amerikaanse presidentschap. Dat realiseert hij zich ook. Toen hem onlangs werd gevraagd wat hij zou willen opgeven om in het Witte Huis te komen antwoordde Bradley: ,,In wezen moet je bereid zijn je leven te geven''. Ofwel: het presidentschap is de dood van mijn privacy.
De baptist Al Gore en de methodist George Bush praten tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen van volgend jaar vrijmoedig over hun geloofsleven. Vraag de 'protestant' Bradley wat hij anno 1999 gelooft en de voormalige evangelische presbyteriaan zegt: Stop, dat is alleen mijn zaak. Zelfs als hij openhartig is houdt hij een deel van zijn leven achter slot en grendel. ,,Natuurlijk moet je een deel van jezelf delen met anderen. Dat doe ik ook. Maar je hoeft niet alles prijs te geven'', zei hij dit najaar in het weekblad Time.
Het is geen campagne-maniertje, al komt het zijn imago wel ten goede. In zijn vier jaar geleden verschenen memoires 'Time present, time past' zegt Bradley dat alleen privé-gedrag dat echt ziekelijk is - zoals het slaan van je vrouw, seksueel misbruik of voortdurend keihard liegen - publieke consequenties heeft. ,,Persoonlijke eigenaardigheden zoals een voorkeur voor Bach boven blues, hoogtevrees, bepaalde zinnelijke genoegens, je werk niet van je af kunnen zetten, wraakzucht, slordigheid, nachtmerries over de dood en niet langer dan een paar uur achter elkaar kunnen slapen hebben niets van doen met je geschiktheid voor het publieke ambt.'' Dat mogen jullie uitzoeken, zei hij tegen een journalist die vroeg welke van die eigenaardigheden op hem slaan.
Origineel, ongeveinsd en alledaags, zijn de etiketten die Bradley te pas en te onpas worden opgeplakt. Hij boezemt vertrouwen in, oordeelt een doorsnee-kiezer in New Hampshire, dat op 1 februari het toneel zal zijn van de eerste voorverkiezingen. ,,Hij zorgt niet voor opwinding, maar dat hoeft ook niet. Die Bush, die vertrouw ik niet. Hij acteert voor de camera's. Bradley is zichzelf, met of zonder camera's in de buurt.'' En dat is precies het beeld dat de mannetjesmakers om Bradley heen van hem willen verkopen. Is zijn optreden dodelijk vervelend? Nee, alledaags! Lijkt hij met zijn kledingratjetoe op een hobbezak? Nee, hij is origineel! Oogt hij soms alsof hij slaapt? Nee, dan is hij ongeveinsd!
Maar het werkt in New Hampshire, waar men niet zo zit te wachten op verkiezingskandidaten die intochten met veel fanfare maken. Daarom lopen de bewoners van die noordoostelijke staat ook weg met de 'alledaagse' John McCain en niet met de bijkans gekroonde Bush. En daarom ligt in de opiniepeilingen van deze week Bradley enkele procenten voor op de gedoodverfde kandidaat van de Democraten Gore. En in Tennessee, waar de vice-president zijn hoofdkwartier nu heeft, beginnen ze daar flink zenuwachtig van te worden.
Bradley is geen raspoliticus, iemand die de machtsspelletjes van Washington het liefst dag en nacht speelt. ,,Mijn moeder heeft zich altijd ingezet voor de samenleving. En ik, ik was een grote jongen, die het moest opnemen voor de kleineren'', zei hij enkele weken geleden wat onbeholpen. Die grote jongen - 1.96 meter - zocht het in het basketbal. Eerst op de universiteit van Princeton in zijn thuisstaat New Jersey en daarna tien jaar als professional bij de New York Knicks. En in de tussentijd studeerde hij op een prestigieuze Rhodes-beurs in het Engelse Oxford.
In de achttien jaar dat hij lid van de Senaat is geweest, van 1978 tot 1996, heeft hij zeker niet aan de leiband van zijn fractievoorzitters Robert Byrd en George Mitchell gelopen. Behoedzaam heeft hij bruggen geslagen naar het Republikeinse kamp. Hij bereidde de belastinghervormingswet van 1986 voor en gunde de eer aan zijn Republikeinse commissievoorzitter Bob Packwood en de regering van Ronald Reagan. Bradley vervreemdde de vakbonden van zich door vierkant voor vrijhandel te kiezen en Democratische activisten door Reagan's hulp aan de Contra's in Nicaragua te steunen.
Ruim vier jaar geleden besloot hij zich niet meer herkiesbaar te stellen. Hij was uitgekeken op het gesteggel in Washington, meende dat het niet meer om de zaken ging maar om het partijbelang. Bradley verlegde zijn basis naar de Stanford-universiteit in Californië. Maar toen al ging het gerucht dat hij zou terugkomen als rivaal van Gore voor de opvolging van Bill Clinton. Zijn kritiek op de mores van het Congres zal er ook aan hebben meegewerkt dat de steun voor zijn campagne tot een handjevol oud-collega's beperkt blijft. Paul Wellstone uit Minnesota en Bob Kerrey uit Nebraska - de enige twee aanhangers van Bradley in de Senaat - zijn evenmin meelopers.
Op tal van terreinen lijkt Bradley zich ter linkerzijde van Gore op te stellen, bijvoorbeeld met zijn standpunt dat homo's en lesbo's gewoon zonder verstoppertje te hoeven spelen in de krijgsmacht moeten functioneren. Voorlopig tracht de rivaal van de vice-president zich te profileren met zijn plan voor hervorming van de gezondheidszorg. De nadruk ligt op subsidies voor minder draagkrachtigen. Onbetaalbaar, heeft Gore al geschamperd. En dat herhaalt-ie zo vaak dat de flegmatieke Bradley onlangs uit zijn slof schoot en Clinton's rechterhand min of meer van leugens beschuldigde. Die 'authentieke' uitschieter heeft hem meteen weer een voorsprong op Gore gegeven. Om zijn steun onder de gewone Amerikanen verder te vergroten kondigde Bradley deze week aan als president een einde te zullen maken aan de belastingvoordelen die grote ondernemingen genieten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.