*

 
dossier

Archief

Overgewicht zaak van de overheid

E.M.H. Mathus-Vliegen − 02/02/00, 00:00

Zeven ministeries moeten zich aangesproken voelen voor het steeds dikker worden van de Nederlandse jeugd. Ze moeten meer doen om vetzucht te voorkomen en bestrijden. Niet alleen door betere voeding en lichaamsbeweging, maar ook door wegen- en huizenbouw.

Overgewicht begint een probleem van wereldformaat te worden. Geen enkele leeftijdsgroep, geen enkel ras of etnische groep blijft gevrijwaard. Helaas halen ook hier de ontwikkelingslanden de schade in: onder- en overvoeding staan daar in schril contrast.

Ook Nederland ontspringt de dans niet. Ons land volgt op enige afstand de ontwikkelingen in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. In 1995 was 45 procent van de mannen en 35 procent van de vrouwen ouder dan 20 jaar te dik. Obesitas, vetzucht met een verhoogd risico op vroegtijdig overlijden en talrijke ziekten, kwam voor bij zeven procent van de mannen en elf procent van de vrouwen. Dit betekende in tien jaar een toename met respectievelijk 35 en 18 procent. In het Verenigd Koninkrijk verdubbelde het aantal mensen met obesitas (van 8 naar 15 procent). Alarmerend is de ontwikkeling in de VS, waar nu 35 procent van de mensen aan deze vetzucht lijdt. Als de trend zich voortzet, komen we in Nederland in 2020 op een percentage van 25 procent uit.

Berichten uit de VS over het groeiend aantal te dikke kinderen wilden we vooralsnog niet horen. In 1994 haalde vooral het bericht van het Centraal Bureau voor de Statistiek de pers, dat jongeren van 20 jaar in 1992 gemiddeld 2,2 centimeter langer waren dan hun leeftijdgenoten in 1981. De toename van vier kilo in lichaamsgewicht bij 20-jarige vrouwen en van drie kilo bij evenoude mannen kreeg minder aandacht. Het nieuws dat overgewicht tussen 1980 en 1996 bij kinderen tot 21 jaar is toegenomen van 9,9 procent naar 13 procent bij jongens en van 8,8 naar 13,7 procent bij meisjes, confronteert ons met de werkelijkheid.

Hoewel we steeds meer inzicht krijgen in de complexe genetische achtergronden van overgewicht, kunnen de genen voor deze snelle verwikkelingen niet verantwoordelijk worden gesteld. Zelfs als iemand genetisch gezien voorbeschikt is tot overgewicht (genotype), geldt dat het fenotype (de te dikke mens) wel 'gevoed' moet worden om tot expressie te komen. Slechts door een teveel aan energie wordt men dik: omdat men te veel energie (voeding) inneemt, of te weinig energie verbrandt (lichamelijke inspanning), of beide. In ieder geval is het evenwicht verstoord.

Overgewicht kan in dit kader worden gezien als een onvermogen tot aanpassing aan veranderende omstandigheden. Komende uit een tijd van schaarste, waarin de mens allerlei strategieën leerde aan te wenden om te overleven, wordt hij nu geconfronteerd met overvloed. De mens heeft zich door de eeuwen heen leren aanpassen aan de meest ongunstige omstandigheden van weinig voedsel, hard werken voor weinig voedsel en zeer wisselende klimatologische omstandigheden. Maar als het net zoveel tijd kost om je aan te passen aan een overmaat aan energiedicht, vetrijk voedsel zonder de noodzaak van lichamelijke inspanning en voortdurend gelijkmatige temperaturen door verwarming of airconditioning, dan gaat de mensheid aan overdaad ten onder. Was vroeger de dikke mens in het voordeel, nu zal de magere mens het in de survival of the fittest winnen.

Opvallend is de stilte op het ministeriële front. Geen enkele reactie is van overheidswege gehoord op de factoren die in relatie tot overgewicht naar voren zijn gebracht: het wonen in grote steden, de lagere opleiding van de ouders en het afwezig zijn of buitenshuis werken van de moeders. De Nederlandse overheid heeft publiekelijk niet eens de stelling van de wereldgezondheidsorganisatie WHO onderschreven dat overgewicht een wereldepidemie is en obesitas een chronische ziekte. De overheid zou zich moeten richten op mensen met een normaal tot licht verhoogd gewicht die te maken hebben met omgevingsinvloeden die overgewicht bevorderen. Factoren die van invloed zijn en te beïnvloeden, zoals voeding, beweging, opleiding, inkomen en stress moeten worden aangepakt.

Zonder enige moeite kunnen zeven ministeries worden genoemd, die stappen zouden moeten nemen om deze epidemie af te wenden. Het ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport (VWS) zou onderzoek moeten stimuleren naar de factoren die leiden tot overgewicht, naar gedrag en bereidheid tot gedragsverandering. Campagnes over voeding - ook gericht op kinderen - moeten worden opgezet, die qua omvang, organisatie en kosten veel groter moeten zijn dan de campagnes tegen roken en alcoholmisbruik. Het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij kan een bijdrage leveren door op grote schaal gebruik te maken van de kennis omtrent voeding en de modificatie van vet- en vetzuursamenstelling van bijvoorbeeld vlees en zuivel, door smakelijke, minder energiedichte varianten van alle voedingsmiddelen te ontwikkelen en door subsidies te verlenen zodat betere producten goedkoper en daardoor beter toegankelijk worden voor iedereen.

Door sport op school, in de wijk en op het werk te subsidiëren, door woning-, steden- en wegenbouw zo in te richten dat bewegen wordt gestimuleerd en door veiligheid op straat te garanderen, dragen de ministeries van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer, VWS, binnenlandse zaken en justitie een steentje bij. Rekeningrijden in de uren dat de scholen beginnen en uitgaan en het gebruik van deze gelden voor skate-, skeeler- en fietsvrije banen, zouden ouders én kinderen weer in beweging krijgen.

Minder stress op de werkplek, verbeterde opleiding en financiële status, met in ieder geval voldoende financiën voor goede voeding, beweging en voldoende buitenschoolse opvang voor kinderen, horen thuis bij de ministeries van VWS, onderwijs, cultuur en wetenschappen, sociale en economische zaken. Maar vooralsnog zwijgen alle ministeries.

mailIcon print |